Transnistrië in het duister

Verdwaald in een onbekende wereld

Eigen werk, 22 september 2012

‘Weet je wel dat het Moldavische leger vanaf nu je veiligheid niet meer kan waarborgen?’ Ja, zo kan je het ook brengen. Ik knik bevestigend en mag doorfietsen, een halfgebarricadeerde weg op met aan weerszijden schuttersnesten met Russische soldaten. Ik rijd Transnistrië tegemoet, een deel van Moldavië dat zich letterlijk heeft vrijgevochten van het thuisland en nu een de facto onafhankelijk bestaan leidt, maar door geen land erkend wordt.

De horrorverhalen vlogen me in boekjes en in reisverhalen al om de oren. Transnistrië is zo corrupt als de pest en de grenspolitie is het ergst van allemaal. Licht ongerust rijd ik op de controlepost af. Ik ben echt niet van plan om 50 euro te gaan betalen aan zo’n megapet om een paar dagen in zijn land te mogen zijn, denk ik stoer. Maar ze weten maar al te goed dat je geen poot hebt om op te staan als zij je paspoort in handen hebben. Mijn Hongaarse vriend Csaba vertelde me dat zijn paspoort zomaar verdween in het borstzakje van een douanier en deze zonder schroom vroeg om een ‘little present’. Toen Csaba dreigde een melding te maken bij het consulaat werd hij vierkant uitgelachen. ‘Welk consulaat?’ Drie van deze megapetten met hamer en sikkel erop kijken me lachend aan als ik halt houd bij het stopbord, en niet onvriendelijk word ik doorverwezen naar een hokje waar ik een formulier in mag vullen. Het formulier vraagt om een patroniem in te vullen, en aangezien ik de beambte niet kan overtuigen dat we in Nederland geen vadersnaam gebruiken, vul ik maar de naam van mijn overleden basisschoolcavia in. Ze zoeken het maar uit. Tieme Snuffel Hermans is het land binnen en heeft geen smeergeld betaald.

Om in Slobodzia te komen mag ik eerst door het Transnistrische hoofdstadje Tiraspol, of Тира́споль, want hier wordt alleen Russisch gesproken. Transnistrië heeft zich in 1992 van Moldavië afgescheiden omdat het voornamelijk Russische deel van de bevolking bang was voor aansluiting bij Roemenië. Tot enkele maanden geleden had oud-mijnwerker Igor Smirnoff de touwtjes hier stevig in handen. Alsof dat niet genoeg was, is de beste man ook eigenaar van een keten tankstations, supermarkten en een voetbalclub, allemaal onder de dubieuze naam Sherrif. Ik passeer het onbenullig grote en luxe voetbalcomplex van FC Sherrif, dat grotendeels Braziliaanse spelers in dienst heeft. Nogal wonderlijk voor een land zonder immigranten.
Ik fiets verder door Tiraspol, en rijd langs oorlogszuchtige monumenten die de korte en rommelige vrijheidsstrijd herdenken. Verder lijkt het geen onvriendelijke stad. Ik mis een afslag en rijd door rustige woonwijken met grote huizen en veel groen. Bij de politiecheckpoints wordt me geen strobreed in de weg gelegd en net voor het donker wordt rijd ik het buitengebied van Slobodzia binnen. Ik probeer Victor te bellen voor nadere instructies, maar ik krijg een error. Later blijkt dat Moldavische telecomaanbieders Transnistrische nummers blokkeren. Een voorbeeld van de vele pesterijen die er over en weer plaatsvinden. Als ik locals vraag naar de straat word ik allerlei kanten opgestuurd, behalve de goede. Uiteindelijk is het stikdonker, word ik tot twee keer toe achtervolgd door wilde honden en rijd ik een beetje benauwd een onverlichte zandweg in die volgens een passant leidt naar de Sovetskaya, de Sovjetstraat. Als de zandweg doodloopt weet ik het echt even niet meer en ik spreek een drietal jongens aan die rondhangen voor een huis. Ze vinden het prachtig dat ik uit Nederland kom en willen me direct meenemen naar de lokale drugsdealer en naar een ondergrondse bordeel. Ik kom ten slotte uit Nederland toch? Omdat ze nogal volhardend zijn en me echt niet willen laten gaan, speel ik maar de volledige idioot en fiets ik gewoon bij ze weg. Dit donkere straatje beviel toch niet echt. Na honderd meter schiet een van de jongens ineens op de brommer langs me heen. Hij wil me toch wel verder helpen. Even twijfel ik, maar hij lijkt oprecht, en vijf minuten later staan we inderdaad voor het goede huis. Sovetskaya 22.

Ik sta alleen in een donkere straat voor het onverlichte huis met nummer 22 op het hek. Ik bel aan, maar alleen de honden van de buren geven antwoord. Dan bons ik op het hek en roep ik: ‘Victor!’. Niets. Licht wanhopig sta ik daar en voel me een beetje verloren. ‘Wat nu dan?’ Ik blijf tien minuten staan en blijf bellen en kloppen. Wanneer een nieuwsgierige buurvrouw komt kijken, bevestigt ze dat dit inderdaad Soveskaya 22 in Slobodzia is, maar Victor die kent ze niet. Dan weet ik het ook niet meer. Een beetje lamgeslagen fiets ik terug naar de hoofdweg en overweeg mijn opties. Ik kan niet communiceren met de mensen hier en daarbij is het al te laat om zomaar ergens aan te kloppen voor onderdak. Kamperen in het veld zie ik ook niet erg zitten; ik zie geen hand voor ogen, er zijn veel wilde honden en voor hetzelfde geld word ik door de politie ontdekt. Tijdens mijn overpeinzing gaat de telefoon. Victor. Blijkbaar kan hij mij wel bellen en hij vraagt zich af waar ik in vredesnaam blijf. Bijna boos sta ik hem te woord. ‘Je zei toch dat je aan de Sovetskaya 22 in Slobodzia woonde?’ Dan pas ontdekken we mijn grote fout. ‘Tieme, elke stad hier heeft een Sovetskaya, en jij bent in Slobodzia, de hoofdstad van mijn district’. Victor woont dus in Chiţcani, een plaatsje in Slobodzia, daar heb ik me mooi op verkeken. Mezelf vervloekend vraag ik Victor hoe ik dan in godsnaam in Chiţcani kom. ‘Nou, zegt Victor met medelijden in zijn stem, ‘Chiţcani ligt hemelsbreed maar vijf kilometer van Slobodzia af, maar helaas loopt er een rivier tussen, waardoor je 25 kilometer om moet fietsen’.

Gelukkig heb ik goede verlichting. Mijn kilometerteller zegt me dat ik al 110 kilometer achter de rug heb, het is al na tienen en mijn benen en ik vinden het wel mooi geweest voor vandaag. Toch vind ik een bord eten, een dak boven mijn hoofd en een warm bed reden genoeg om toch nog even door te pakken. Zo fiets ik weer door Tiraspol, dat inmiddels nog meer uitgestorven is dan voorheen. Omdat het dorpje niet aangegeven wordt, en ik de plaatsnaam in het Cyrillisch misschien niet eens herken, vraag ik het maar weer aan een passant. Die stuurt me een paar kilometer verder, waardoor ik weer langs het Sherrif-stadion rijd en ten slotte weer bij de bruiloft aankom, die nog steeds in volle gang blijkt. Verder dan dit kan het echt niet zijn, denk ik bij mezelf, iets verder en ik ben alweer het land uit! Ik moet ook echt even zitten, en ga turend naar mijn kaart op een bankje voor het restaurant zitten. Ik ben boos. Alsof de wanhoop van me afstraalt, komt er ineens een ober van het restaurant naast me zitten en vraagt of ik hulp nodig heb. Dan gaat het hard. Binnen vijf minuten zit ik met een enorme tros Transnistrische druiven en ben ik omringd door vrolijke bruiloftsgasten die me met de taxi naar de goede weg willen gidsen.

Max is mijn eerste Transnistrische held; terwijl ik de taxi volg naar de goede afslag, hangt hij voortdurend uit het raam en schreeuwt hij onverstaanbare grappen waarna hij door zijn vrouw weer naar binnen wordt gesleurd. Ik beland dus op de goede weg. Hoe kon ik nou weten dat Chiţcani op z’n Russisch Кицканы is? Nadat ik mijn vrolijke vriend Max en zijn vrouw bedankt heb, steek ik de rivier over en rijd ik de resterende tien kilometer over een stikdonkere en smalle dijk. Ik voel me vrij relaxed, maar bedenk intussen wel dat als me hier iets overkomt, dat ik goed verloren ben. Chiţcani rijst op uit het donker en ik ben helemaal klaar met zoeken. Daarom rijd ik naar de dichtstbijzijnde bar, waar de lokale jeugd feest viert. Wederom vinden ze het fantastisch dat er een Hollander op de stoep staat, en twee jongens die zelf ook maar half de weg kennen, nemen me per scooter mee op speurtocht naar de juiste Sovetskaya 22. Om klokslag 12 uur sta ik met mijn escorte voor de juiste deur, en Victor komt bezorgd naar buiten gelopen. Het al na middernacht, ik heb 150 kilometer gefietst, een onbedoeld record. De volgende morgen zet ik na een diepe slaap mijn eerste voorzichtige Cyrillische krabbels. Dit niet nog een keer.