China per trein

Eigen werk, 30 juli 2013

Klassiek fluitend tuft trein 1086 sloom weg uit Urumchi, langs de vervallen wijken bij het spoor met moderne wolkenkrabbers op de achtergrond. Terwijl we vaart maken, zie ik vanuit wagon 14 de stad langzaam opgaan in een droge vlakte die het begin markeert van de Gobiwoestijn. De Sinkiang-Express is vertrokken. We hebben nog 34 uur en 59 minuten te gaan voor we aanmeren in de Chinese stad Xi’an, en aan het hoekse martelbankje onder me te voelen, gaat het een lange rit worden.

Als veertienjarige maakte ik voor het eerst kennis met reisliteratuur via Riding the Iron Rooster van Paul Theroux, een boek over treinreizen in het China van de jaren ’80. De sfeer die hij meegaf in zijn beschrijvingen over die mysterieuze en rare wereld maakten mij zo nieuwsgierig China te ontdekken, dat deze reis een soort langgekoesterde droom is die werkelijkheid wordt. Van de westelijke provincie Sinkiang naar de centrale stad Xi’an om twee Zwolse vrienden te zien die naar Chinese maatstaven in de buurt zijn.

De Sinkiang-Express, zoals ik deze trein doop, brengt vooral vakantievierende Oeigoeren met zich mee en een enkele Han-Chinees. Omdat de luxe slaapcoupés, de harde slaapcoupés en de zachte zitjes uitverkocht zijn, zit ik op een harde 3-zits bank opgepropt tussen twee anderen en achteruit rijdend. Veel slechter wordt het niet dacht ik. Totdat een vriend van de familie waar ik tussen zit een kleedje uitspreid en languit op de grond gaat liggen, waardoor ik nu ook mijn voeten niet meer fatsoenlijk kwijt kan.

Treinreizen in China is door de immense afstanden een heel andere ervaring dan in Nederland. Tijdens een 35-urige reis ga je niet alleen van a naar b; je leeft echt in de trein. Mijn medepassagiers slaan dan ook meteen ijverig aan het eten, drinken en kaarten en in een mum van tijd puilen de prullenbakken uit, is het toilet verstopt en raakt het pad bezaaid met botjes, doekjes en zonnebloempitten. Gelukkig houden de meesten hun gemeenschappelijke ruimte vrij netjes, maar het gangpad moet er echt aan geloven. De wagons waar de ramen open kunnen zijn wat schoner omdat het meeste afval direct uit het raam wordt gesmeten. Om het uur komt een conducteur met een bezem langs om de ergste schade weg te vegen, maar de netheid is telkens van korte duur. Toch zijn de tijden duidelijk veranderd ten opzichte van de reis van Theroux in de jaren ’80. Hij schetst een beeld waarin treinreizigers overal spuugden en rondliepen in hun ondergoed. Beide fenomenen zijn nog te zien in Chinese treinen van nu, maar veel minder. Mannen trekken nu alleen soms hun shirt uit en het spugen gebeurt meestal uit het raam of in de wasruimte. Zij het met evenveel kabaal.

De familie waarmee ik de zeszitter deel, bestaat uit een jonge Chinese man en diens vrouw met losse streepjesbroek en roze konijnenshirt, hun oudere loensende oom en een grote Oeigoer die op luid volume communiceert met mannen in de zitjes om ons heen. Deze alfaman laat het ook niet na om te schreeuwen naar twee broers die wat rond onze zitjes hangen bij gebrek aan een zitplek. Er is duidelijk een rangorde in de trein en hij vindt zichzelf de top van de voedselketen te zien aan zijn triomfantelijke blik als hij de twee staande mannen schoffeert. Beide broers dragen dezelfde slippers, een vaal, wijd poloshirt en hebben een gebit dat alle kanten op staat. Ze laten het geschreeuw over zich heen komen, zeggen weinig en lijken met hun timide houding een beetje bang voor de bullebak. Wanneer iemand opstaat, vragen ze netjes of ze daar even mogen zitten, delen een stuk droog brood met elkaar en vallen snel in slaap.

Ik bewonder het grote slaaptalent van de Chinezen. Het lukt de meeste mensen om me heen te slapen in de meest creatieve houdingen; hangend tussen hun eigen benen, opgevouwen tussen twee vreemden of tussen de voeten van anderen op de grond. Het is een vreedzaam schouwspel aan het eind van de avond als de meesten gaan slapen. Tegenover me ligt de Chinese man met zijn hoofd bij zijn zus op schoot en verderop streelt een jonge Oeigoer zijn slapende vriend zachtjes door het haar. Mij lukt het niet om de slaap te vatten door de beknelde houding en de tl-balken die de hele nacht vol blijven branden. Lekker rondlopen om de tijd door te komen, is er ook niet echt bij, want telkens wanneer ik opsta, lijkt ineens iedereen wakker te worden en dwingen de starende blikken me snel terug naar plaats 78. Hier val ik iets minder op tussen mijn 127 coupegenoten en alle afleiding moet zich dan ook maar afspelen om deze krappe vierkante meter terwijl de uren langzaam wegtikken en de Sinkiang-Express door de stikdonkere woestijn raast.

Om 6.30 beginnen de etenswagentjes te rijden. Ik word wakker van een kleine conductrice die  schel en monotoon drinken, snacks en warme maaltijden aanprijst. Telkens hetzelfde ritme op dezelfde toonhoogte. Fanatiek wringt het meisje de kar tussen de kluwen mensen en uitstekende voeten in het pad heen en rijdt in haar ramkoers op een haar na over het hoofd van een man heen dat tussen een paar tassen op de vloer ligt. Ik begon net een beetje in te dutten, maar nu is de trein weer in vol bedrijf. Kinderen rennen door de wandelpaden en grote tassen instant noedels, broden en vleessnacks komen tevoorschijn. Ik weet de gevacuumeerde kippenvoet van mijn buurvrouw af te slaan die ze vervolgens zelf luidruchtig naar binnen werkt terwijl tegenover me met zeker zoveel lawaai een bak noedels naar binnen wordt geslurpt. Fijn, zo’n ochtendsymfonie na een nacht luisteren naar het gesnurk om je heen. Ik doe mijn best om in te zien dat de Westerse afschuw voor het gesmak en geslurp puur een cultureel bepaald is en dat je zelfs meer proeft van je eten als er veel zuurstof bijkomt. Maar dat verandert niet veel aan het geluid; het is en blijft ranzig gesmak.

Het goede aan Chinese treinen is dat er altijd water is. Kokend water voor consumptie en koud water om je mee te wassen. En er wordt gebruik van gemaakt. Na het eten staan mijn buren een voor een op om met een handdoekje over de schouder richting het washokje te lopen. Wel zo prettig, want 35 uur tussen ongewassen mensen zitten, is geen pretje. Ik volg dan ook snel het goede voorbeeld en neem nodeloos efficiënt ook meteen heet water mee voor mijn ontbijtnoedels. Deze tweede dag zien de conducteurs er al wat verfomfaaider uit, met die malle rode stropdas af en het met de knoopjes van hun blouse halfopen. Toch zijn ze erg actief en komen luidkeels nagelvijlen, lichtgevende tollen of paspoorthouders verkopen naast de gebruikelijke hapjes en drankjes. Ik verbaas me over de hoeveelheid troep die ze weten te slijten aan mijn coupegenoten. Wanneer de conducteur passeert, worden snel de sigaretjes uitgedrukt die stiekem onder tafel worden gerookt tijdens de spannende potjes kaarten.

We rijden nog de hele dag door de immense Gobiwoestijn, en ik begin bewondering te krijgen voor de karavanen die deze enorme leegte trotseerden naar Xi’an, het einde van de zijderoute. Maar net als voor hen, zijn er voor ons oaseplaaten met zandstenen huisjes waar op de verlaten perrons karretjes staan met kebabs, kip en dampende maiskolven. De eeuwig hongerige reizigers stromen dan massaal naar buiten en ook ik neem even de tijd om mijn benen te strekken. Het is een lange reis, maar we zijn over de helft. Terug op plaats 78 raak ik in gesprek met een jongentje dat zich in het Engels voorstelt als Johnny. Hij zit verderop met zijn moeder en oudere zus en verveelt zich te pletter. Ik schuif even bij hen aan en hij vraagt met behulp van een boekje van alles over mijn reis terwijl we met onze armen uit et open raam hangen. Dan kijkt Johnny verbaasd naar zijn hand, en zelf voel ik het ook. Nattigheid. We kijken elkaar even aan, dan naar de wolkeloze hemel en trekken dan vol afschuw onze hand terug naar binnen. Dit kan maar van een plek afkomstig zijn!

De tweede nacht slaap ik een stuk beter, alsof mijn rug de negentig graden bank langzaam accepteert. Het is ook wat rustiger in de trein. Waar de eerste nacht nog luidruchtig kaart gespeeld werd ‘s nachts merk ik dat iedereen moe is, zelfs de bullebak is rustig. Ook zijn er wat mensen uitgestapt waardoor ons zitje net iets minder vol is en ik zelfs af en toe met gestrekte benen kan zitten. Terwijl ik geniet van de relatieve ruimte om me heen begraaft mijn buurvrouw haar hoofd in mijn zij. Ik denk dat deze reis voor Chinezen een hele andere ervaring is. Het is zo’n groot en vol land dat ze gewend zijn om opeengepakt te zitten. Ik vraag me af hoe claustrofobische Chinezen zich redden hier.

Ik word wakker en kom tot de conclusie dat ik zeker vier uur geslapen heb. Wanneer ik om me heen kijk zie ik de conducteur weer in vol ornaat, de trein mindert snelheid en mensen pakken hun tassen. ‘Xi’an?’, vraag ik hoopvol? De vrolijke bullebak knikt bevestigend en ik sta op, rek mijn verkreukelde spieren uit en schuifel in de stoet mee naar de uitgang. De Sinkiang Express is aangekomen.