De jury van het kruispunt

Genoeg, 12 oktober 2020

Op een doodnormale dinsdagmiddag zie ik buurman Shiju met zijn gezin thuiskomen. Zijn 4-jarige dochtertje in prinsessenjurk en met oogschaduw op, zijn twee zoontjes keurig in overhemd, zijn vrouw Sreena in elegante sari en hijzelf in net shirt en gestreken wikkelrok. Als ik vraag op wiens bruiloft ze zijn geweest antwoorden ze doodleuk: ‘oh, we hadden gewoon een afspraak in het ziekenhuis.’

Waar je in Nederland ’s morgens vroeg nog wel eens een buurman in zijn ochtendjas door de supermarkt ziet sloffen met een pak koffie onder zijn arm, is er in India geen denken aan om in je ochtendpak het huis uit te gaan. Zelfs op het kruispunt van het dorp waar mensen zich om half acht verzamelen met hun rammelende melkbussen, word je geacht er presentabel uit te zien. Of je nou net uit de koeienstal, het rijstveld of je bed vandaan komt.

Voor mij is er netjes uit zien nooit zo belangrijk geweest. Toen ik nog in Nederland woonde trapte ik mijn schoenen af tot de zool eronder weg liep en ook tijdens mijn fietsreis zag ik er vaak nogal verfomfaaid uit. Maar toen ik ineen huis met badkamer had en me in de dorpswinkel voor vijf euro in het nieuw kon steken, werd het ineens wat logischer om me te schikken naar de lokale norm.

In de eerste maanden merkte ik dat ik me naast de net geklede dorpelingen steeds meer shabby voelde als ik in mijn vale joggingbroek over straat liep. De traditionele Zuid-Indiase wikkelrok, dhoti genaamd, deed dan ook het eerst zijn intrede in mijn garderobe. Ik was meteen verkocht. Dhoti’s drogen snel, zitten fijn en zijn lekker luchtig tijdens warme dagen. Korte broeken zijn hier in het hinterland namelijk nog een beetje not-done, maar een dhoti omhoogvouwen tot boven je knieën is hier de normaalste zaak van de wereld. Voor mannen dan, want voor vrouwen zijn de kledingnormen uiteraard nog een stapje conservatiever, waardoor Elske meestal naar het dorp gaat in een nette kurta met lange broek en sjaal. Zelfs als het vijfendertig graden is.

Mijn vonnis

Met opgerolde dhoti stap ik op een zondagochtend op de fiets om melk te halen op de kruising. Ik trap de heuvel op, maar voel met elke pedaalslag mijn dhoti omhoogklimmen tot ik bijna in mijn onderbroek op de fiets zit. Op de top rol ik hem gauw weer omlaag, hopend dat niemand me gezien heeft. Maar als ik beneden de heuvel aankom, voel ik dat het flabberende ding vastzit in mijn ketting. Dit werkt niet. Om nog meer roetvlekken in mijn mooie dhoti te voorkomen en om niet halfnaakt over straat te fietsen trek ik mijn oude regenbroek uit mijn fietstas. Lesje geleerd: met een dhoti kun je niet fietsen.

Bij aankomst op de kruising komt mijn lokale vriend Vipin grijnzend naar me toe. ‘De mannen op het bankje vragen zich af waarom je broek zo vies is.’ Hadden ze me vijf minuten geleden eens moeten zien, denk ik bij mezelf, maar toen was de vierkoppige kruispuntjury waarschijnlijk druk met mijn twee Amerikaanse vrienden die ook niet aan een oordeel ontkomen. De een draagt volgens de mannen namelijk al drie dagen dezelfde kleren en de ander zou zich wel eens mogen scheren.

Soms lijkt het of de lokale normen nog strenger gelden voor ons dan voor de dorpelingen. Dit komt natuurlijk omdat je als buitenlander altijd in de spotlights staat, maar ook om en andere reden. Het plaatje dat veel Indiase plattelanders van buitenlanders hebben is dat van feestgangers in Goa die in veel te weinig kleren veel te veel drinken, drugs gebruiken en alles doen wat de Indiase morele code afzweert. Daarom voel ik me vaak ambassadeur van de westerse wereld met als taak om deze stereotyperingen te doorbreken, wat met mijn vieze regenbroek mooi mislukt is.

Met mijn melkbusje gevuld stap ik weer op de fiets en knik vriendelijk naar de mannen van de jury, die allemaal vrolijk de Indiase headwobble doen. Het regenbroekvonnis doet gelukkig niets af aan de Zuid-Indiase vriendelijkheid. Toch knoop ik het voor de volgende keer in mijn oren. Morgenochtend loop ik wel.