Herfst in Hebei

Eigen werk, 7 december 2013

Zittend op een laag krukje kneden haar kleine, sterke handen het deeg tot lange staven. De echtgenoot van de oude vrouw is baas aan de vettige plaat en bakt het deeg tot platte broodjes in een rijke laag olie, waarna ze direct naar hun dochter gaan. Die staat kaar voor een rij wachtenden met gekookte eieren, groenten in sojasaus, worst en een soort kipschnitzels. Gewapend met een bijltje hakt zij de ingrediënten naar keus op het houten blok razendsnel fijn met een hand peterselie. Het resultaat? Een onweerstaanbaar en authentiek pallet van eenvoudige smaken dat in een snelle draai met de bijl in het broodje verdwijnt. Volgende! Als ik aan de beurt ben, weet ik ongeveer hoe alles werkt, bestel een drietal broodjes en schep een kom vol met een soort maïspap die er goed in gaat op deze kille ochtend. Dankbaar verschalk ik mijn ontbijt terwijl de zon op komt en stap snel weer op de fiets. Er moeten kilometers gemaakt worden.

Het is herfst in Hebei, een van China’s noordelijke provincies rondom Beijing, waar ik ben begonnen aan een van de grote uitdagingen deze reis. Ik moet in 26 dagen tijd van de hoofdstad naar de Vietnamese grens fietsen, pakweg 3500 kilometer zuidelijker. Van Hebei naar Henan en van Hubei door naar Hunan en het zuidelijke Guangxi, in volle vaart de zon achterna door een wereld waar buitenlanders nog een vreemde verschijning zijn.

Handkarren met keurig opgestapelde pompoenen, tafeltjes vol bolle gele peren en een mobiele stoomketel waar loeihete zoete aardappelen uit komen. De oogst is goed geweest dit jaar en langs de weg is het een komen en gaan van eettentjes met gestoomde broodjes, gevulde pannenkoek, noedels of vleesspiesjes. Meestal gewoon een paar krukjes of een parasol en een bakfiets die cateren voor een eeuwige stroom brommertjes, fietsers en een scala aan merkwaardige tussenmaatjes. Voor mij rijdt een man door de kille ochtendnevel, diep weggedoken in zijn lange groene legerjas. Achterop zijn roestige fiets zitten twee houten kisten stevig met touw aan de zijkant gebonden met daarop een mandje vol zwarte lappen en een schoenlepel. Wie weet neemt deze mobiele schoenmaker straks zijn plaats in tussen de mobiele fietsenmaker en de mobiele granaatappelsapperser voor weer een lange dag werk, sigaretten en mahjong.

Nadat ik de drukke straten en zes ringwegen van Beijing achter me heb gelaten, lijkt er geen eind te komen aan de bebouwing. Alsof de periferie zich nog honderden kilometers uitstrekt als een rommelige vlek om die megastad heen. Tot ik de kans krijg eens tussen de laag beton naast de weg heen te kijken en ik uitgestrekte katoenvelden zie. Zo werkt het dus hier. Langs de weg is alles volgebouwd, modern en rommelig tegelijk met zwartgeblakerde werkplaatsen, garages en bedrijfsterreinen. Daarachter beginnen direct de velden die zich uitstrekken zover het oog reikt, want dit deel van China is zo plat als de polder. Nu zie ik ook waar al dat eten voor die 1,35 miljard mensen vandaan komt; elke vierkante meter wordt gebruikt zoals het lijkt en er wordt hard gewerkt. In de lange rijen druiven, katoen en mais wordt van ‘s ochtends vroeg tot in het laatste licht ouderwets met de hand geoogst, want in China is mankracht nog altijd goedkoper dan machines.

In deze eerste dagen van mijn race door het noordoosten van China ontdek ik een wereld die modern en erg ouderwets is, vooruitstrevend en traditioneel, welvarend en arm. De stadjes zien er allemaal hetzelfde uit, alsof ze net uit de grond zijn gestampt uit een grote mal; brede wegen, hoge flats en heel veel beton. Het leuke is dat de mensen die er wonen hier vaak door de regering heen zijn gelokt vanuit waterarme gebieden en dat de dorpsmentaliteit nog erg heerst in dit moderne bouwpakket, te zien aan groentetuintjes op elk lapje grond dat niet gebruikt wordt, de vele straatmarktjes waar ik doodleuk een eendenei als wisselgeld krijg en de baas van het eethuisje die zijn mes staat te slijpen aan een lantaarnpaal. Deze stadjes zijn geen plaatsen om te blijven hangen; er is niets te zien, weinig te beleven en niemand spreekt er Engels. Snel op weg naar de volgende kloon, ik wil 150 kilometer rijden vandaag!

Ik sluit aan in een stroom brommers die hier elke dag rijdt. Allemaal zijn ze onderweg en net als in mijn thuisstad kennen zij hier elk gebouw, zien bekende gezichten en groeten een vriend. Alles in de omgeving is vertrouwd. De een haalt de kinderen van school, de ander gaat met bouwvakkershelm op naar huis of doet inkopen voor het eten. Net als zij ben ik ook op weg, al weet ik behalve een paar namen op de kaart niet waarheen. Ik rijd door hun wereld heen op weg naar de volgende. Het onbekende tegemoet. Hier kom ik nooit meer terug, op deze plek die zoveel betekent voor al deze mensen. Dit is hun thuis. Mijn thuis is een klein tentje dat elke dag weer half verborgen in een bos, een akker of langs een kanaal staat tot het eerste licht me weer de weg op stuurt, het onbekende tegemoet.