Onrust in Urumchi

Eigen werk, 25 juli 2013

Trouw volg ik de bordjes met de vier Chinese tekens naar de miljoenenstad Urumqi in het Westen van het land. Wanneer ik de stad nader, houden de bordjes echter op en ben ik aangewezen op het lezen van Mandarijn of het Arabische schrift van de Oeigoeren. Beiden niet mijn sterkste kant. Na twee uur dwalen door de miljoenenstad kom ik met behulp van twee jonge fietsers eindelijk aan bij het adres van Jeffrey, mijn Ghanese vriend die hier werkt als docent Engels. Na rustig te zijn bijgekomen van mijn woestijntochten is het tijd om in het leven te duiken van mijn eerste Chinese stad.

Jeffrey is als echte Ghanees verzot op voetbal dus de volgende dag fietsen we door de verkeerschaos naar een veldje naast het moderne voetbalstadion van de lokale club Xinjiang Ticai. Hier zouden we met een groepje expats spelen tegen het politieteam, maar bij aankomst blijkt echter dat er behalve de commandant geen agent te bekennen is. Het is hommeles in de provincie, net als in 2009 toen de inheemse Oeigoeren massaal in opstand kwamen tegen het regime vanwege ongelijke behandeling ten opzichte van de Han-Chinezen. De protesten van toen kostten het leven aan tussen de 200 en 600 mensen, afhankelijk aan wie je het vraagt, en zorgden voor een informatieblokkade van de Chinese overheid en vele verdwijningen van Oeigoerse mannen in de maanden erop. Dit westelijke deel van het land is altijd een kruitvat geweest en opstanden tegen de overheersers domineren de geschiedenis van China’s Wilde Westen. De haat jegens de Han zit er goed ingebakken en de Culturele Revolutie staat velen nog bij. Toen werden moeskees aangevallen en werden moslimmannen gedwongen in varkensfokkerijen te werken. Geen wonder dus dat de Turkse volkeren hier streven naar meer autonomie of aansluiting bij hun Centraal-Aziatische broedervolken. Maar hun provincie Sinkiang zit op een enorme olievoorraad en de meeste mineralen van China komen uit dit gebied, waardoor de kans op zelfbeschikking nihil is.

De onlusten zijn dit keer uitgebroken in een plaats buiten de stad Urumqi, maar om een herhaling van het bloedbad van 2009 te voorkomen, heeft de overheid krachtige maatregelen getroffen. De volgende morgen circuleren er via de Chinese social media foto’s van gepantserde voertuigen in de straten en colonnes bewapende patrouilles door de hele stad. Ik loop met de Kazachse Gulnara door de bazaar van de oude zijderoutestad, waar het op het eerste gezicht business as usual lijkt. Toch is volgens haar de spanning voelbaar. ‘Vanochtend weigerde een Han taxichauffeur me een ritje omdat hij dacht dat ik Oeigoer was. Pas toen ik kon tonen dat ik Kazachse was, mocht ik mee’. Terwijl gesluierde vrouwen en mannen met witte moslimhoedjes met grote tassen in en uit de bazaarhallen lopen, staat op elke straathoek een kluitje nerveus om zich heen kijkende jonge agenten, allemaal Han-Chinees. Het is absurd te zien hoe zij de vreedzame winkelaars nauwlettend in de gaten houden. Volgens mij willen deze mensen alleen maar rust en veiligheid voor hun familie. Toch is er volgens Gulnara iets veranderd. ‘Vroeger voelde ik me thuis in de bazaar en was je afkomst minder van belang. Iedereen was behulpzaam en vriendelijk. Met de etnische rellen kwam wantrouwend en nu zien de Oeigoerse bazari’s ook mij als een bedreiging.’

Mijn vriend Jeffrey is apolitiek en ziet vooral dat de stad vooruit is gegaan na 2009. Hij vertelt dat Peking de regio voor het eerst serieus nam en massaal begon te investeren, waardoor er in Chinees tempo nieuwbouwprojecten van de grond kwamen en de stad een enorme moderniseringsslag heeft gemaakt. Toch weet hij ook dat de investeringen en het groeiende banenaanbod vooral ten goede komen aan de Han-Chinezen, die het grootste deel van het zakenleven in handen hebben. Nepotisme blijft een van de leidende factoren in de Chinese maatschappij, dus als je ongekwalificeerde neefje het voor een vacature moet opnemen tegen een hoogopgeleid persoon van een van de minderheidsgroepen, dan is de keuze helaas snel gemaakt. Ook binnen officiële instanties zie je vaak niet meer dan een excuusoeigoer,- of kazach om te laten zien dat de minderheden wel degelijk gehoord worden. Dit leidt uiteraard tot grote frustratie bij afgestudeerde Oeigoeren, die na hun studie vaak werkloos terugkeren naar de bazaar, het restaurant van hun ouders of taxichauffeur worden.

Naast het onderlinge wantrouwen tussen de diverse bevolkingsgroepen en het bestaande nepotisme bestaat er in de Chinese cultuur het gehoorzaamheidsprincipe. Dit komt uit de lessen van Confucius en leert dat een geordende samenleving een hiërarchische samenleving is. Van familiebanden tot bedrijfsfuncties. Verandering is daarom een langzaam proces aangezien ouders hun kinderen niet toestaan buiten eigen kring te trouwen en managers van Chinese bedrijven niet ineens kiezen voor een Oeigoer of Kazach. Ook in het grote plaatje speelt dit principe mee. Op een bevolking van .. maken de tien miljoen Oeigoeren slechts 0,78% uit en de Kazachen en de Dzjoengaren weer een fractie hiervan. Door massale import van Han-Chinezen is net als in Tibet de provincie Sinkiang de balans tussen de bevolkingsgroepen enorm veranderd. Het arme platteland en in de dorpen zijn vaak nog Oeigoers, maar de steden zijn al grotendeels in Chinese handen en zijn de Oeigoeren in zijn totaliteit nog maar krap in de meerderheid.

Met de oprukkende Han-Chinezen en het harde optreden tegen vreedzame protesten lijkt een oplossing die de gefrustreerde bevolking tevreden stelt niet in de maak. Het ziet er naar uit dat de Oeigoeren net als andere minderheden in China het onderspit gaan delven op economisch, politiek en numeriek gebied. Ik vraag Gulnara of ze wel eens overweegt haar Kazachse wortels op te zoeken aan de andere kant van de grens, een gebied waar ook veel Oeigoeren leven. Ze lacht pijnlijk: ‘Ze haten Sinkiang-Kazachen daar en ook de Chinese Oeigoeren zijn niet al te welkom.’ De bittere conclusie is dat er niks anders op zit dan er het beste van te maken voor beide groepen. Maar zolang de Oeigoeren zich op geen enkele manier verbonden voelen met China en de Han-Chinezen bang zijn voor de Oeigoeren en op hen neerkijken, is er voor de Turkse volken nog een lange weg te gaan.

Wanneer ik die avond met Jeffrey en Gulnara door een gemengde buurt loop met veel Oeigoerse restaurantjes en Chinese winkeltjes, stuiten we op een plein waar massaal gedanst wordt. Het zijn oudere Chinese mannen en vrouwen die collectief dezelfde pasjes maken. ‘Ze doen is een bekende Oeigoerse volksdans’, merkt Gulnara op. ‘Dat begint heel populair te worden hier.’ Is dit dan waar het begint?, vraag ik me af. Gewoon op straat met gewone mensen die een dans van de andere groep leuk vinden en niet denken in politieke termen? Het is een kleine stap en een natuurlijke toenadering die een lichtpuntje kan zijn voor de toekomst.