Zonder water de woestijn door

Eigen werk, 30 juli 2013

Ongelooflijke sukkel! Wat is nou het enige waar je echt op moet letten hier? Ik sta mezelf grondig te vervloeken als ik erachter kom dat ik mijn waterfles echt niet meer ga vinden in de rotsige heuvels. Blijkbaar is deze gisteravond van de fiets gevallen voor ik mijn tent opzette. In elk geval moet ik nu nog 45 kilometer fietsen op zo’n 30 centiliter. Door de woestijn.

Gevulde flessen, check. Noodvoedsel, check. Zonnebrand, check. Ik ben klaar voor de woestijn. Het eerste stuk leidt me door etnisch Kazachse dorpjes en een groene strook platteland voor de dorre vlakte begint. In het laatste plaatsje vraag ik een oud stel dat in hun groentetuin staat te spitten of ik bij hen mijn water bij mag vullen. Vrouwlief verdwijnt meteen met mijn flessen richting de put voor heerlijk koel water. Maar daar blijft het niet bij. Ze komt terug met een plastic zak vol tomaten van eigen kweek, zeker drie kilo. Terwijl ik me bedenk wat voor een ramp tomaten zijn in mijn fietstassen, neem ik de zak dankbaar aan. Zeg maar eens nee tegen een Kazachse oma!

Ik neem de afslag noordwaarts en prompt stopt de begroeiing. Op naar het eerste dorp dan maar, wat zo’n 75 kilometer verder ligt, Het lijkt erop dat ik geen streepje schaduw ga krijgen tot het eerstvolgende dorp dat op 75 kilometer afstand ligt. Wel veel woestijn en wind. Tegenwind. Ik fiets op tegen een muur van hete adem van deze westelijke uitloper van de Gobi die me de komende dagen zal lastigvallen. Aan het eind van de middag bereik ik her eerste plaatsje, waar ik me samen met Chinese truckers vergrijp aan een grote berg plov (pilaf) en meer thee dan ik op kan. Terwijl ik bijkom in de schaduw steekt er een felle wind op en voor ik het weet raast er een tornado aan me voorbij. Blij dat ik daar niet in zit. Aangezien niets erop wijst dat de wind gaat liggen, stap ik maar weer op en ploeter met een demotiverende 7 kilometer per uur door het dorre land. Als ik tegen zonsondergang gevoelsmatig nog geen steek vooruit ben gekomen, plant ik mijn tent achter een heuvel. Zoals men me al vanaf Roemenië probeert wijs te maken, stikt het ook hier van de wolven, beweerden de truckers die middag. Ik denk er het mijne van en kook rustig mijn eerste woestijnmaal. Uiteraard tomatensoep van half geplette tomaten.

Die nacht meen ik van alles te horen om mijn tent heen. Stemmen, dierengeluiden en vreemd geritsel. Heeft de zon te lang op mijn hoofd geschenen vandaag of is er echt iets daar buiten? Ik overtuig mezelf ervan dat het de wind is of hooguit een verdwaalde gazelle, maar moet ook denken aan alle spookverhalen die uit de woestijn komen. Ik kan me voorstellen wat dit lege landschap voor effect kan hebben op de mens, die hier duidelijk niet in zijn natuurlijke habitat is en overgeleverd is aan deze machtige leegte die fata morgana’s, waanideeën en de illusie van lokkende stemmen heeft opgeroepen bij reizigers. Gelukkig ben ik op de fiets wat sneller dan per kameel en heb ik de luxe van een goed geasfalteerde weg die me elke dag tenminste langs een dorpje brengt.

De volgende morgen kom ik er tot mijn frustratie achter dat een van mijn waterflessen verdwenen is. Ik vertrek meteen om de ergste hitte te ontlopen, maar zelfs om 7.00 uur ’s ochtends is het al goed heet in de woestijn, die overigens lang niet vlak is. Ik stijg binnen een paar uur van 300 naar 1000 meter. Daar krijg je pas dorst van, maar ik zit op een strak rantsoen van een minislokje per twee kilometer. Alsof ik me nu pas echt uitgedaagd voel, komt er een vreemd soort motivatie in me los. Ik heb er zin in, trap wat extra hard en voel me krachtig. Dat neemt niet weg dat het op zijn zachtst gezegd dorstig weer is, en wanneer ik eindelijk het dorp bereik, klop ik bij de eerste de beste woning aan voor water. Het blijkt een restaurantje te zijn. Ik stamel wat woordjes Kazachs, maar hoef eigenlijk niets te zeggen. Meteen vraagt een van de meisjes of ik wat wil eten terwijl de ander aan komt met een grote pot thee. De restaurantcrew wilde net gaan ontbijten, dus samen zitten we aan een ronde tafel. In no time werk ik vijf eieren en een bord vol gestoomde broodjes weg en doe me tegoed aan de gezamenlijke schaal groenten en een grote kom salade, weggespoeld met heel veel thee.

Het personeel is geschokt dat ik helemaal uit Nederland ben komen fietsen. Ze weten namelijk best waar dat minilandje ligt en zelfs dat ze er mooie molens en tulpen hebben. Gelukkig vragen ze niet of Nederlanders ook weten waar Sinkiang ligt, of iets waar de Kazachen befaamd om zijn. Laat staan dat we ooit gehoord hebben van deze woestijn die toch zeker een paar keer zo groot is als Nederland. Wat later sta ik met gevulde flessen en een klotsende buik weer buiten. Ik kan er weer even tegen. Ik rijd verder door het oaseplaatsje, dat met een paar houten winkeltjes en huisjes aan een stoffige en uitgestorven straat een wildwestgevoel bij me oproept. Verderop ligt de echte oase, waar heel clichématig een tiental kamelen aan ligt. Voor de rest blijft er weinig over van mijn romantische oasebeeld. Het is een modderige plas zonder dadelpalmen, witte tenten en muziek. Hier zou ik niet graag mijn dorst lessen en ben blij met de waterfilter in mijn fietstas.

Ik kom erachter dat meer woestijnbeelden niet overeenkomen met de werkelijkheid. Hoewel er zeker ook glooiende zandduinen zijn, is terrein verrassend veelzijdig; van felrode rotsen tot grauwe gruisbodem en van dorre heuvels tot relatief groene steppe. Op de goed verharde weg die soms een schijnbaar eindeloze streep naar de einder is, houd ik me therapeutisch bezig met het uitdenken van hele menu’s, inclusief gedetailleerde bereidingswijze, een fantastische kwelling in deze leegte. Ik eet nog maar een geplette tomaat. In de verte zie ik vaak wel ergens oliepompen of een kolencentrale die wijst op drukke mijnbouw in dit gebied. Ik heb medelijden met de mijnwerkers die hier ver van huis in een soort barakken wonen. Het is al geen pretje om mijnwerker te zijn in China met de vele ongelukken die plaatsvinden, maar dan ook nog in dit klimaat. Misschien is het een geluk bij ongeluk dat de mannen grotendeels onder de grond zitten.

Om even te ontsnappen aan de brandende middagzon zoek ik mijn toevlucht in de enige schaduwplek in de wijde omtrek, onder een groot verkeersbord. Daar voelt de wind wat koeler en komt mijn verhitte systeem even tot rust. Terwijl ik geniet van mijn microparadijs van twee bij twee meter, heb ik niet door dat mijn hele omgeving opgeslokt wordt door schaduw. Er is storm op komst. Een keiharde wind zet op en in de verte zie ik het noodweer toeslaan en komt het met bakken uit de hemel en onweert het stevig. Nou is een spatje regen zeker geen straf in de woestijn, maar om op deze vlakte te rijden als levend doelwit voor de bliksem lijkt me wat minder. Dus ik ze het op een fietsen, vluchtend voor de storm. Met een stormachtige zijwind zoef ik over de vlakte, af en toe tegen de wind in leunend om balans te houden op de vluchtstrook. Telkens als een truck passeert, valt de storm even weg, gevolgd door de zuigkracht van de razende vrachtauto, waarna die zijwind weer volop terug komt. Opgesloten tussen de trucks en de rotsige helling naast me is het een spannende balans, maar het houdt me scherp en snel. Na anderhalf uur shirtloos spurten en met de heerlijke afwezigheid van de zon, merk ik dat ik de dans ontsprongen ben.

Wanneer ik rustig bijkom van mijn sprint, merk ik pas dat de droogte langzaam plaats begint te maken voor een groenere vlakte. Dit herinner ik me van Kazachstan, en in wezen is deze noordwestelijke hoek van China ook een verlengde van de Kazachse steppe. Er grazen paarden in de verte en ik zie een dorp aan de horizon dat volgens mijn kaart aan een rivier moet liggen. Al voor het plaatsje begint, ben ik al uitgenodigd voor noedels in een restaurantje waarvan de eigenaar wat Russisch spreekt. Ruim een uur later is het donker, bewonder ik even de rivier en al dat groen eromheen en rijd ik de omliggende heuvels in. Ik zou me zorgen kunnen maken over het vinden van een slaapplek in het donker of over de afslag naar de Mongoolse grens die hier ergens zou moeten zijn. Maar ik heb de woestijn doorstaan, de mensen zijn goed voor me geweest en het was een mooie uitdaging. Ik zet een muziekje op die me zorgeloos de heuvels in draagt, waar zonder twijfel weer een perfecte kampeerplek op me ligt te wachten.