Facebook

Ik eet mijn laatste ontbijt in een huiskamerrestaurantje van een Vietnamese non die op gloeiende kooltjes bedachtzaam haar tofu staat te bakken.We praten niet veel, maar ze roept toch haar hele familie erbij om te komen kijken naar die gekke buitenlander op zijn fiets. Een gezellig kliekje broers en zusssen kijkt vervolgens vrolijk toe als ik mijn soepje naar binnen werk. Dan stap ik weer op voor de laatste kilometers Vietnam, weg uit de bekende wereld en richting de Cambodjaanse grens.

De overgang is als gebruikelijk. Er staat een rij vrachtwagens te wachten en volbeladen brommers rijden over en weer alsof de grens niet bestaat. Een ervan brengt dozen mango’s Vietnam in en is zo zwaar beladen dat de bestuurder niet eens achterom kan kijken en hij half staand de slagboom door slingert. Een ander rijdt op een zogenaamd skeletbrommertje dat van ellende bijna uit elkaar valt. Hij vervoert grote blokken ijs naar Cambodja en rijdt druipend langs de douaniers, die lachend toekijken. De Vietnamezen die de grens over willen, doen braaf 20.000 dong, zo’n 80 cent, in hun paspoort. Aan buitenlanders durven de douaniers niet direct om smeergeld te vragen, dus ik kom ermee weg en krijg mijn stempels en visum zonder problemen.
Samen met een paar minibusjes en vrachtwagens verlaat ik het rommelige grensplaatsje Phnom Denh. Voorbij de treurige casino’s waar Vietnamezen hun zwarte geld komen vergokken, want ondanks de vele illegale gokgelegenheden, hanengevechten en kaartspelen om geld, is gokken verboden in socialistisch Vietnam. Vandaar dat elk Cambodjaans grensdorp voorziet in deze, blijkbaar sterke, behoefte.

Na Phnom Denh is het volgens mijn oude kaart mogelijk om ergens een landweggetje te nemen die de hoofdweg een stuk afsnijdt. Na een paar keer vragen aan de, op dit tijdstip overal vindbare, rokende en koffiedrinkende mannen, is het raak. Ik sla af van de hoofdweg en beland direct in de rust van het platteland. Je merkt meteen het verschil met Vietnam. De huisjes staan verder uit elkaar, zijn simpeler en bijna altijd van hout en op palen. Onder deze paalwoningen staan de brommers, fietsen, gereedschappen en hangmatten, waar de hele familie na de lunch in ligt te dutten. Ook ligt er veel terrein braak, terwijl in Vietnam elke vierkante meter gebuikt lijkt te worden. De koeien hier zijn wit, mager en met een bult op hun rug en lopen vaak los in het veld of op de weg. Verder veel rijstvelden met daartussen bananenbomen en kokospalmen. In de verte steekt een tempel uit tussen de bomen, het teken dat elke gemeenschap het belangrijk vindt een eigen tempel met monniken te hebben. Deze monniken zijn er om voor hen te bidden, zingen en hun huwelijk, huis en geboorte in te zegenen. Tempels hier zijn ook heel anders dan in Vietnam, Indiaas haast, met sierlijke ronde schilderingen, veel tierlantijnen en goud en rood als hoofdkleuren.
De hitte, de stilte en de rust maken dat ik langzamer wil gaan fietsen. Alsof Cambodja nu al een vertragend effect op me heeft. Ik koop 3 kleine meloentjes langs de weg voor zo’n 10 cent en kijk naar de kinderen van de naastgelegen school die in keurige uniformen langs lopen. Ook de mensen hier zijn anders dan in Vietnam, veel donkerder, iets langer en vaak met een geblokte doek om hoofd of middel gebonden. Ondanks dat op het platteland hard gewerkt wordt, staan Cambodjanen, of de Khmer, zoals de dominante bevolkingsgroep heet, bekend om hun capaciteit om het rustig aan te doen. Geen haast en veel tijd voor eten, familie en de hangmat. Misschien dat door die relaxte houding mensen nóg vriendelijker dan in Vietnam hun ‘hello’s’ roepen.
Het asfalt houdt snel op en ik hobbel verder op een van Cambodja’s vele roodstoffige weggetjes die ik me kan herinneren van mijn vorige reis. Rond 15.00 uur ben ik moe, drink een kokosnoot langs de weg en besluit dat het mooi is geweest.  Het is verleidelijk om door te sjezen naar Kep, het kustplaatsje waar ik in een boomhut mijn boek ga schrijven. Maar juist dit soort momenten zijn waardevolle kansen om de prestatiedrang wat te temperen. Die laatste 40 kilometer kan ik beter morgen fietsen met frisse moed in plaats van nu zonder plezier door te ploegen.

Ik rijd door tot ik de eerste tempel zie, haal diep adem en fiets vrolijk het complex binnen. Voorzichtig benader ik een van de monniken om ze niet teveel te laten schrikken. ‘Zou ik hier misschien ergens mogen slapen?’, vraag ik in een mix van gebarentaal en Engels. En of dat mag. Tien minuten later sta ik me in de buitenlucht te wassen met water uit een grote aardenwerken kruik terwijl de kindmonniken toekijken. Het is hier gebruikelijk om je te wassen met een handdoek om, zodat je altijd bedekt bent. Dus ik bind mijn net iets te kleine reishanddoek zo goed en zo kwaad als het lukt om, hopend dat de knoop niet losschiet, wurm me uit mijn fietsbroekje en was me dan op z’n Cambodjaans met een plastic schep vol heerlijk koel water uit de grote kruik.
Even later zit ik achterop de brommer bij een kind van 10 jaar zonder helm. Hij brengt me naar het eettentje van zijn ouders, aangezien monniken na 12 uur ‘s middags niet meer eten. Voor ik ga slapen die avond praat ik met een van de monniken over het leven in de tempel. Hij komt uit een arme plattelandsfamilie in een andere provincie met weinig werkgelegenheid. Veel jongeren, vertelt hij, kunnen geen werk vinden, zijn te arm om te trouwen en komen makkelijk in een slecht milieu terecht. Daarom sturen sommige families hun zonen naar de tempel. Daar krijgen ze eten van de dorpelingen, hebben ze een slaapplek en een gerespecteerde functie in de maatschappij.

Nu moet je niet denken dat boeddhisme in de praktijk nou zo puur en overtuigd beoefend wordt in alle dorpstempels. In plaats van het pad van verlichting te bewandelen, de morele code te volgen en veel te mediteren, wordt er vooral aan verering gedaan; veel religieus gezang, rituelen en ceremonies. Daarbij is het soort van geaccepteerd dat monniken, die bezitloos horen te zijn, rondlopen met smartphones, blikjes energiedrank en zelfs met sigaretten. Die kopen ze dan weliswaar niet zelf, maar worden geofferd door de dorpsbewoners. Het is een typisch voorbeeld wat ik heb gezien in de meeste landen waar ik fietste; mensen scheppen god en religie naar hun eigen idee.

De dag eindigt vroeg in de tempel. Ik krijg een houten platform onder de sterren toegewezen en slaap al om 19.00 uur. Ik word alleen even wakker als een monnik met verlengsnoer en ventilator aan komt zetten om me koel te houden. Met een glimlach op mijn gezicht val ik opnieuw in slaap. De Cambodjaanse zachtheid heeft me nu al in haar grip.

 

Social links powered by Ecreative Internet Marketing