Facebook

Soms is gedwongen niets doen het beste medicijn tegen mijn drang om altijd maar ergens mee bezig te zijn. Vandaag moet Elske door fietspech gedwongen terugliften naar de grote stad Siem Reap en moet ik me zo’n 24 uur in een Cambodjaans dorpje vermaken tot zij terug is.

Op zoek naar een rustig plekje om de dag door te brengen, fiets ik langs een bordje dat wijst naar een waterval in een natuurgebied. Dat klinkt als rust, ruimte en verkoeling, dus ik sla het modderige bospaadje in dat me naar een soort hoofdkwartier leidt. Deze blijkt echter omringd door allerlei toeristische eettentjes en er komt meteen een vijftal dames op me af die schreeuwend hun sjaals, kleedjes en souvenirs aan me willen slijten. Oh ja, we zitten nog in toeristenland, met de tempels van Angkor Wat op zo’n 20 kilometer hier vandaan. Dan hoor ik van een parkwachter dat ik zonder een ticket voor de tempels niet naar de waterval mag en ik ben alweer helemaal klaar met deze plek. Ik heb niets te zoeken in deze wereld van toegangsbewijzen, duur en saai toeristeneten en drommen mensen die geld aan je willen verdienen. De afgelopen weken hebben we ons heerlijk ondergedompeld in het Cambodjaanse plattelandsleven, waardoor het contrast op dit soort plekken zo groot is dat ik er vooral snel weer weg wil.

Ik knik de bewaker vriendelijk gedag, zwaai vrolijk naar de joelende dames en wil al richting de grote weg fietsen als ik een eindje verderop een groot overdekt platform zie, zoals je die overal in Azië tegenkomt. Een oude, licht gebogen man met ingevallen wangen staat voor het platform te schoffelen in een bloemperkje met paarse orchideeën. Hij kijkt me vriendelijk aan als ik voorbij fiets en vraagt in goed Engels of ik even uit wil rusten. Ik strijk neer op een houten bankje aan de rand van het platform en we raken aan de praat. Er staat een groot bureau in de hoek met daarop een reusachtig Engels-Cambodjaans woordenboek, een boek met Engelse essays over Cambodja en een schriftje waarin hij nieuw geleerde woorden opschrijft. ‘Meestal nemen toeristen niet de tijd om met me te praten, ik ben ook maar de bewaker, maar soms komt er iemand die geen haast heeft en dan kan ik vragen waar hij vandaan komt en wat hij denkt over mijn land’.

Na mijn lofrede over Cambodja en de bijzondere tijd die ik hier heb gehad, stelt hij zich voor als Chanthou en haalt twee pakketjes uit zijn tas. Het is in kokosmelk gegaarde kleefrijst met banaan, gegrild in een bananenblad, heerlijk zoet, knapperig en vullend. Even later helpen we een vriendin van hem met het versjouwen van een kastje, waarop zij ons beloont met een zoete bonenpudding en een blikje Sprite. Over de lunch hoef ik me in elk geval geen zorgen meer te maken, dus ik nestel me lekker op het bankje naast de oude bewaker.

We lezen samen zijn boekje met Engelse essays en terwijl ik leer over Cambodjaanse feestdagen, huwelijken en bijgeloof, help ik hem met zijn uitspraak en de moeilijke woorden. Ik ben onder de indruk van zijn leergierigheid en ik ben dan ook niet verrast als hij me even later vertelt dat hij meer dan 30 jaar voor de klas heeft gestaan. ‘Toen de Rode Khmer uit Cambodja verdreven werd in 1979, waren er nauwelijks nog intellectuelen en onderwijzers. Toen voelde ik de drang om te helpen mijn land weer op te bouwen voor de volgende generatie.’ Eerst wat aarzelend, maar toch steeds opener als hij merkt dat ik echt geinteresseerd ben, vertelt Chanthou zijn verhaal.

‘De dag dat de soldaten van de Rode Khmer kwamen, was iedereen bang. Lokale vrijwilligers, gewoon jongens uit ons dorp, kwamen gewapend langs de deur op al ons kookgerei in beslag te nemen. Vanaf die dag bepaalde zij wanneer, wat en vooral hoeveel we te eten kregen in gemeenschappelijke gaarkeukens. Er moest zoveel mogelijk rijst naar China worden geexporteerd zodat de Rode Khmer wapens kon kopen, wat betekende dat er voor ons slechts twee kleine kommetjes rijstpap per dag waren. Veel te weinig, aangezien we gedwongen werden van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds te werken op het land. Wij hadden nog een paar bananenbomen en wat groenten die we naast ons huis verbouwden, maar de stadsmensen hadden het pas echt zwaar. Zij kwamen in een lange stoet vanuit de steden naar de dorpen gelopen en van de ene op de andere dag gedwongen om te werken op het land. Als ze moe waren, werden ze geslagen en veel ervan werkten letterlijk tot ze erbij neervielen. De Rode Khmer noemden hen vijanden omdat ze uit de stad kwamen en kapitalistisch waren. De lokale vrijwilligers, meestal onopgeleide boerenjongens, kregen het recht om te doden. Je kon al gedood worden als je te moe was om te werken, als je een banaan plukte voor je hongerige kind of zelfs als je een bril droeg.’

Tijdens Chanthou’s verhaal komt zijn collega Taing bij ons zitten. “’Als je wilt vissen, moet je eerst het water helder maken”, vertelde een van de hoogste Rode Khmer leiders me ooit. Ze wilden echt een nieuwe wereld scheppen, maar gingen te ver.’Taing kan het weten, want zijn vader was een soldaat onder dit extreme regime en hij werd in Thailand geboren in een vluchtelingenkamp. Daar zat een bizarre mengelmoes van mensen die voor de Rode Khmer op de vlucht waren, later aangevuld door Rode Khmer soldaten die op de vlucht waren voor de Vietnamezen die het land kwamen bevrijden.

Volgens Taing was de Rode Khmer in wezen niet zo slecht en zorgden ze goed voor de boeren en de natuur, alleen werden hun plannen gedwarsboomd door de KGB, de CIA en de Vietnamezen, die allemaal streden om invloed over Cambodja. Taing vertelt dat door deze infiltranten de paranoia van leider Pol Pot groeide, waardoor zijn zuiveringsacties steeds agressiever en willekeuriger werden. ‘Het water bleef troebel en de Rode Khmer zag steeds meer vijanden. Aan deze paranoia ging de staat ten onder.’

Na al deze zware gesprekken nodigt Taing me uit op zijn boerderij, 10 kilometer verderop. Ik hoef toch nergens heen, dus laat ik mijn fiets achter bij Chanthou’s platform en stap ik achterop de brommer, uiteraard zonder helm, want in de dorpen zie je die niet veel. We volgen een weg langs donkere houten huisjes die op palen staan tegen de overstromingen van de heftige moesson in dit drassige gebied. Taing’s huisje staat aan het eind van een modderig zijweggetje. Ik moet de laatste 15 meter lopen omdat de brommer nauwelijks vooruit komt in de dikke, natte klei. We drinken water terwijl we de kippen en eenden voeren die onder het huis scharrelen en lopen vervolgens naar de varkensstal achterom.

Taing vraagt me hoe boeren in Nederland leven en ik leg uit dat deze veel geld moeten lenen om mee te kunnen in de race om groot en modern genoeg te zijn. Hij moet ook geld lenen, zegt hij, voor het bouwen van de varkensstal. Deze stal bestaat uit een betonnen vloer met wat houten palen en een golfplaten dak waar 6 varkentjes gezellig bovenop elkaar liggen te slapen. ‘Gisteren hadden ze diarree dus krijgen ze vandaag extra bananenblad te eten’. Ik bedenk in stilte hoe triest het eigenlijk is dat iemand die goed is opgeleid, Thais en Engels spreekt en werkt met toeristen, geld moet lenen om een doodsimpel hokje te bouwen voor zijn varkens. Hij lijkt mijn gedachten te lezen en merkt op dat als hij in een westers land had gewoond, hij ook een goede baan zou hebben met een mooi huis. ‘Maar ik woon in Cambodja en moet naast mijn baan werken in het rijstveld’.

We vervolgen onze weg naar zijn landje verderop. We wandelen door tuinen van andere paalwoningen waar hele families onder hun huis zitten op grote houten platforms of in hangmatten. Overal ligt plastic, overal rennen kinderen en honden rond en de mensen kijken wat schichtig als ik voorbij kom. Deze mensen leven echt in armoede. Ze hebben een halve hectare aan rijstveld, waar ze een paar ton rijst per jaar van oogsten, die een Vietnamese tussenhandelaar koopt voor 20 cent per kilo. Werk is er nauwelijks in dit verlaten boerengebied en de mogelijkheden in de grote stad zijn beperkt voor ongeschoolde mensen. Toch verschijnt er een grote lach op hun gezichten als ik een paar woordjes Cambodjaans stamel en vraag of ze al rijst gegeten hebben, de lokale vertaling van ‘alles goed?’. In het rijstveld controleren we de goudgele aren. De korrels zijn dik en klaar om te oogsten, dus pakt Taing er twee sikkels bij en snijden we de aren onderaan de stengel af en leggen deze te drogen in de zon. Veel tijd hebben we niet, want Taing moet weer aan het werk bij de waterval.

Terug bij het hoofdkwartier volg ik het voorbeeld van Chanthou en doe een middagdutje op een houten bankje. Niet veel later schrik op van het vrolijke geluid van Elske’s fietsbel. Ze heeft het gered. Onder het genot van nog een stuk bananenkleefrijst deelt ze haar avonturen over het liften met de fiets en het repareren ervan. Uitgezwaaid door onze vrienden fietsen we terug naar de hoofdweg, op zoek naar een kampeerplek verderop in het bos. 

 

Social links powered by Ecreative Internet Marketing