Facebook

Trouw volg ik de bordjes met de vier Chinese tekens naar de miljoenenstad Urumqi in de westelijke provincie Sinkiang. Wanneer ik de stad nader, houden de Chinese bordjes echter op en ben ik aangewezen op het lezen van Mandarijn of het Arabische schrift van de Oeigoeren. Beiden niet mijn sterkste kant. Na twee uur dwalen door deze miljoenenstad kom ik dankzij twee jonge fietsers eindelijk aan bij het adres van Jeffrey, mijn Ghanese vriend die hier werkt als docent Engels. Na rustig te zijn bijgekomen van mijn woestijntochten is het tijd om in het leven te duiken van mijn eerste Chinese stad.

Jeffrey is als echte Ghanees verzot op voetbal dus de volgende dag fietsen we door de verkeerschaos naar een veldje naast het moderne voetbalstadion van de lokale club Xinjiang Ticai. Hier zouden we met een groepje expats spelen tegen het politieteam, maar bij aankomst blijkt echter dat er behalve de commandant geen agent te bekennen is. Het is hommeles in de provincie, net als in 2009 toen de inheemse Oeigoeren massaal in opstand kwamen tegen het regime vanwege ongelijke behandeling ten opzichte van de Han-Chinezen. De protesten van toen kostten het leven aan tussen de 200 en 600 mensen, afhankelijk aan wie je het vraagt, en zorgden in de maanden erop voor een informatieblokkade van de Chinese overheid en vele verdwijningen van Oeigoerse mannen. Dit westelijke deel van het land is altijd al een kruitvat geweest en opstanden tegen de overheersers domineren de geschiedenis van China's Wilde Westen. De haat tegen de Han zit diep en de Culturele Revolutie staat bij velen in het geheugen gegrift:  moskeeen werden aangevallen en moslimmannen werden gedwongen in varkensfokkerijen te werken. Geen wonder dus dat de Turkse volkeren hier streven naar meer autonomie of aansluiting bij hun Centraal-Aziatische broedervolken. Maar omdat de provincie Sinkiang op een enorme olievoorraad zit en de meeste mineralen van China hirvandaan komen is de kans op zelfbeschikking nihil.

De onlusten zijn dit keer uitgebroken in een plaats buiten de stad Urumqi, maar om een herhaling van het bloedbad van 2009 te voorkomen, heeft de overheid krachtige maatregelen getroffen. De volgende morgen circuleren er op de Chinese social media foto's van gepantserde voertuigen in de straten en marcheren er colonnes bewapende patrouilles door de hele stad. Ik loop met de Kazachse Gulnara door de bazaar van de oude zijderoutestad, waar het op het eerste gezicht business as usual lijkt. Toch is volgens haar de spanning voelbaar. 'Vanochtend weigerde een Han taxichauffeur me mee te nemen omdat hij dacht dat ik Oeigoer was. Pas toen ik kon aantonen dat ik Kazachse was, mocht ik mee'. Terwijl gesluierde vrouwen en mannen met witte moslimhoedjes met grote tassen de bazaarhallen in en uitlopen, staat er op elke straathoek een kluitje nerveus om zich heen kijkende jonge agenten, allemaal Han-Chinezen. Het is absurd te zien hoe zij de vreedzame winkelaars nauwlettend in de gaten houden. Volgens mij willen deze mensen alleen maar rust en veiligheid voor hun familie. Toch is er volgens Gulnara iets veranderd. 'Vroeger voelde ik me thuis in de bazaar en was je afkomst minder van belang. Iedereen was behulpzaam en vriendelijk. Met de etnische rellen kwam wantrouwen en nu zien de Oeigoerse bazari's ook mij als een bedreiging.'

Mijn vriend Jeffrey is apolitiek en ziet vooral dat de stad vooruit is gegaan na 2009. Hij vertelt dat Peking de regio toen voor het eerst serieus ging nemen en massaal begon te investeren, waardoor er in Chinees tempo nieuwbouwprojecten van de grond kwamen en de stad een enorme moderniseringsslag heeft gemaakt. Toch weet hij ook dat de investeringen en het groeiende banenaanbod vooral ten goede komen aan de Han-Chinezen, die het grootste deel van het zakenleven in handen hebben. Nepotisme blijft een van de leidende factoren in de Chinese maatschappij, dus als je ongekwalificeerde neefje het voor een vacature moet opnemen tegen een hoogopgeleid persoon van een van de minderheidsgroepen, dan is de keuze helaas snel gemaakt. Ook binnen officiële instanties zie je vaak niet meer dan een excuusoeigoer,- of kazach om te laten zien dat de minderheden wel degelijk gehoord worden. Dit leidt uiteraard tot grote frustratie bij afgestudeerde Oeigoeren, die na hun studie vaak werkloos terugkeren naar de bazaar, het restaurant van hun ouders of taxichauffeur worden.

Naast het onderlinge wantrouwen tussen de diverse bevolkingsgroepen en het heersende nepotisme is de Chinese cultuur gebaseerd op het gehoorzaamheidsprincipe, dat nog een uitvloeisel is van de lessen van Confucius die  leert dat een geordende samenleving een hiërarchische samenleving is. Dit geldt zowel binnen families als in bedrijven. Verandering is daarom een langzaam proces aangezien ouders hun kinderen niet toestaan buiten eigen kring te trouwen en managers van Chinese bedrijven niet snel zullen kiezen voor een Oeigoer of Kazach. Ook in het grote plaatje speelt dit principe een rol. Op een bevolking van .. maken de tien miljoen Oeigoeren slechts 0,78% uit en de Kazachen en de Dzjoengaren weer een fractie hiervan. Door de massale import van Han-Chinezen is in de provincie Sinkiang, net als in Tibet, de balans tussen de bevolkingsgroepen enorm veranderd. Het arme platteland en in de dorpen zijn vaak nog Oeigoers, maar de steden zijn grotendeels Chinees en in zijn totaliteit vormen de Oeigoeren nog maar een krappe meerderheid.

Met de oprukkende Han-Chinezen en het harde optreden tegen vreedzame protesten lijkt een oplossing die de gefrustreerde bevolking tevreden zou kunnen stellen, nog ver weg. Het ziet er naar uit dat de Oeigoeren, net als andere minderheden in China, het onderspit gaan delven op economisch, politiek en numeriek gebied. Ik vraag Gulnara of ze wel eens overweegt haar Kazachse wortels op te zoeken aan de andere kant van de grens waar ook veel Chinese Oeigoeren heen zijn getrokken. Ze lacht pijnlijk: 'Ze haten Sinkiang-Kazachen daar en ook de Chinese Oeigoeren zijn niet erg welkom.' De bittere conclusie is dat er niks anders op zit dan er het beste van te maken. Maar zolang de Oeigoeren zich op geen enkele manier verbonden voelen met China en de Han-Chinezen bang zijn voor de Oeigoeren en op hen neerkijken, is er voor de Turkse volken nog een lange weg te gaan.

Die avond loop ik met Jeffrey en Gulnara door een gemengde buurt met veel Oeigoerse restaurantjes en Chinese winkeltjes en komen we op een plein waar massaal gedanst wordt. Het zijn oudere Chinese mannen en vrouwen die collectief dezelfde pasjes maken. 'Ze doen een bekende Oeigoerse volksdans', merkt Gulnara op. 'Dat begint heel populair te worden hier. 'Is dit dan waar het begint?' vraag ik me af. Gewoon op straat met gewone mensen die een dans van de andere groep leuk vinden en niet denken in politieke termen? Het is een kleine stap en een natuurlijke toenadering die een lichtpuntje kan zijn voor de toekomst.

Social links powered by Ecreative Internet Marketing