Facebook

Auto’s, fietstaxi’s, vrachtwagens met een dikke laag roodbruin stof en afgedankte Chinese bussen die een zwaar pensioen genieten op de bergwegen die vlak buiten dit grensplaatsje beginnen. Al onze medeweggebruikers toeteren om het hardst. De heiige lucht, het lawaai, de schreeuwende mensen aan weerszijden van de weg, de kuilen in de weg en de honden, brommers en vrouwen met witbeschilderde gezichten die vlak langs ons wegschieten, maken de ruimte kleiner. De weg versmalt net als onze horizon en we worden zonder genade gelanceerd in een compleet nieuwe wereld. Al zijn we slechts 20 meter van de Thaise grens verwijderd, er is geen twijfel over mogelijk: dit is Myanmar.

Nog één blik achterom naar de hippe overdekte winkelcentra, enorme bouwmarkten en luxe autodealers langs de strak geasfalteerde weg aan de overkant van de grensrivier. De komende maand wordt alles anders. Na bijna vier maanden in de sfeer van Thailand en Indochina, brengt Myanmar ons een totaal nieuw palet aan sfeer, geuren, regels en culturen.
Terwijl de Thai de aanwezigheid van twee Nederlandse fietsers glimlachend, maar vrij relaxed bekeken, stoten de Birmezen elkaar aan en roepen ons vrolijk na. In het kleine grensplaatsje Myawaddy blijven nauwelijks toeristen plakken. De meesten springen gauw op de eerste de beste bus richting de trekpleisters in het binnenland. Wij kiezen er echter bewust voor een nachtje hier te blijven. Ten eerste om even rustig te acclimatiseren en te beseffen waar we nu weer zijn beland en ten tweede omdat er een flinke bergketen op ons te wachten staat de volgende dag. Liever beginnen we morgen voor zonsopkomst zodat we de bergpas over zijn voor de dag op zijn heetste punt komt. Nadat we ons uit het gekrioel bij de Birmese grenspost hebben geworsteld, fietsen we het stadje in op zoek naar een slaapplaats.

Waar we in Thailand aanklopten bij een tempel in de stad of zelfs bij de politie, staan we in Myanmar voor een iets grotere uitdaging. Volgens de strenge wetten van het nog steeds deels militaire regime moeten alle buitenlanders elke dag in een door de overheid goedgekeurd hotel overnachten. Mede door hoge toeristenbelasting zijn de kamers van de meest afthanse Birmese etablissementen even duur als wat je in Thailand voor een vrij luxe resort kwijt bent, een bedrag wat ons eenvoudige fietsreisbudget ver overschrijdt. Na een paar keer aangeklopt te hebben bij een hotel zonder vergunning, vinden we na wat afdingen en touwtrekken de meest betaalbare kamer in het rozegeverfde Central Motel. Voor ons zuurbetaalde geld krijgen we twee eenpersoons bedden met ingezakte matrassen, een badkamer met afbladderende muren en een doucheputje vol met haar van diverse gebruikers voor ons en natuurlijk een familie kippen en hanen onder het raam. Maar de receptionist is erg aardig en wijst ons de weg naar het wisselkantoor, de markt en de grootste tempel van de stad.

We hebben nog wat euro’s op zak, dus onze eerste missie is om deze te wisselen naar Birmese kyats, aangezien pinautomaten schaars zijn op veel plekken waar wij gaan komen, de pinkosten vaak erg hoog zijn en de wisselkoers beroerd. Na even zoeken vinden we een straatje waar verschillende geldwisselkantoortjes naast elkaar zitten. Soms zijn dit kleine loketten in de muur waar af en toe een luikje open en dicht gaat en soms zijn het Birmese banken die netjes de wisselkoers van euro’s, dollars, Thaise baht en zelf Saoudische riyal weergeven op een beeldscherm. We lopen heen en weer om de koersen te vergelijken en komen erachter dat we vandaag 1601 kyats voor onze euro kunnen krijgen op de eerste verdieping van een van de grotere banken in de straat. 

Op de begane grond is het een georganiseerde chaos. Mensen lopen in en uit met loodzware plastic tassen helemaal vol met stapels bankbiljetten. Deze worden op de counter gehesen, nageteld en vervolgens opgestapeld achter de bankmedewerkers, waardoor er achter de bureau’s een soort berg van geld ontstaat. De beveiligers zijn twee jonge knapen die buiten met een stel vrienden bij de geparkeerde brommers rondhangen. Blijkbaar zijn er in Myanmar nog maar weinig mensen op het idee gekomen om een bank te overvallen.
Na het geld wisselen gaan we op zoek naar een eettentje om onze eerste kyats uit te geven. Gelukkig zijn we al voldoende ingeburgerd in Azië om te weten dat in de kleine, vaak donkere kantines met een paar stalen pannen achter de vitrine je het lekkerst kunt eten. Nieuwsgierig tillen we de deksels van de pannen op om te ontdekken wat eronder zit, maar kunnen bij lang niet alles raden wat het zou kunnen zijn. Elske was zo slim om even uit te zoeken hoe je vegetarisch op zijn Birmees zegt. ‘Ta ta lo?’, vragen we voorzichtig. De man achter het buffet draagt een lange traditionele wikkelrok, een wit hemd dat los op zijn bolle buik ligt en zijn tanden zijn rood door het kauwen van betelnoten. Hij lacht zijn bijna bloedrode gebit bloot als hij ons ziet stuntelen met onze eerste woordjes Birmees en gebaart joviaal dat we mogen gaan zitten aan een klein houten tafeltje.

‘Zou hij ons begrepen hebben?’, vraag ik aan Elske. We hebben geen idee, maar de oude baas begint uit verschillende pannen kleine porties op te scheppen. ‘Controle loslaten, Tieme’, zeg ik tegen mezelf. Zo gaat het altijd in Azië, mensen zorgen graag voor je.Zelf al snap je meestal niet wat er gaande is, negen van de tien keer komt er iets goeds uit. Dit keer bestaat het goede uit een rijsttafel waar je u tegen zegt. Naast twee rijkelijk gevulde borden met rijst staan schaaltjes met een soort aardappelcurry, gevulde aubergine, een gekruid bonenprutje, iets dat me doet denken aan een Indiase dahl, een groentensoepje en een groot bord met sla, komkommers en miniaubergines. Dat we geen bestek zouden krijgen wist ik nog van mijn vorige bezoek aan het land dus na het handen wassen vallen we enthousiast aan met onze rechterhand, want je linkerhand gebruik je alleen op de wc. De techniek moeten we nog wat verfijnen, maar we slaan ons zonder curryvlekken door onze eerste Birmese maaltijd heen.

 
Tijdens het eten worden de curry’s, soepen en rijst continu bijgevuld. We laten het ons allemaal maar overkomen, maar als het moment van afrekenen nadert, beginnen we ons wel af te vragen hoe dit gaat uitpakken voor ons aangezien we onze fietserseetlust niet hebben beteugeld. De schade blijkt 1,25 euro te zijn voor ons beiden. We kijken een keer vragend naar de uitbater, maar die knikt enthousiast. Het klopt echt. Zo goedkoop hebben we in geen tijden gegeten en het was een waarachtig feestmaal. Omdat eten een van onze favoriete manieren is om een land te leren kennen, voelen we ons meteen welkom in Myanmar en kijken we vanaf nu telkens uit naar de volgende maaltijd.

Na het eten begint het donker te worden en wandelen we via de avondmarkt bij de grote gouden tempel in het midden van de stad terug naar ons luxueuze onderkomen. We duiken bijtijds ons bed in om morgenochtend vroeg, net als de Chinese stadsbussen, de beruchte weggetjes van het Dawnagebergte te trotseren. Onze plannen worden echter gedwarsboomd door een karaokefeestje verderop, luidsprekers van een lokale tempel die al om half 3 ’s ochtends beginnen en natuurlijk de haan van de buurman die het om 3 uur ook al de hoogste tijd vindt. Een korte, rusteloze en dure overnachting, maar de volgende ochtend staan we toch vrolijk op. Er mag weer gegeten worden.

 

Social links powered by Ecreative Internet Marketing