Facebook

Ik ontmoet Ali in een hostel in Tbilisi. Een schuchtere, maar waardige man van een jaar of veertig. Ali is een Egyptische advocaat die werkte in de Syrische hoofdstad Damascus tot het daar echt te gevaarlijk werd en hij halsoverkop met zijn gezin terugvluchtte naar Kaïro. Daar is op dit moment voor een advocaat weinig werk te vinden, vertelt hij mij onder het genot van een kop thee, en zeker niet voor een waardig salaris.

Ali is hier niet als zijn hostelgenoten om de stad te zien, rond te fietsen of cultuur en goedkope alcohol te proeven. Hij wil hier aan werk komen. ‘Voor Europa kan ik geen werkvisum krijgen, in Arabische landen is geen werk’, redeneert hij. Georgië en Azerbeidzjan staan dus op de planning, want daar kan je makkelijk een visum voor krijgen. Hoewel, om een Azerbeidzjaans visum te krijgen moet je online een hotel boeken en papierwerk invullen. Helaas is, ondanks Ali’s opleiding en relatief goede baan, een computer hem totaal vreemd. Ik merk dat hij echt uit een andere wereld komt als hij me vertelt dat een agent, aangeraden door het Azerbeidzjaanse consulaat, hem 500 dollar afhandig wilde maken voor een visum. Ali is in deze harde wereld een schildpad op zijn rug en als ik hem niet van zijn voornemen om dit enorme bedrag te gaan betalen had afgepraat, had een Azerbeidzjaanse gluiperd in zijn vuistje gelachen. Want, in visumland ben je een makkelijk doelwit als je niet geïnformeerd bent, en informatie vind je op internet.

’s Avonds wisselt Ali zijn nette blouse en spijkerbroek voor een comfortabele djellaba en zit hij met zijn sigaret en een kop thee rustig in de gemeenschappelijke tuin. Hij oordeelt niet over zijn drinkende en luidruchtige medebewoners en biedt altijd een kop thee aan als je hem aanspreekt. Ik schuif bij hem aan en help de veertiger met het aanmaken van een e-mailadres, dat hij in alle onschuld beveiligt met zijn telefoonnummer. Het is een begin. Wanneer ik hem vraag wat voor werk hij hoopt te vinden in Bakoe haalt hij zijn schouders op. ‘Als het maar werk is, ik kan alles doen’. ‘Maar Ali, je bent advocaat, je bent een man met een opleiding’, stamel ik, verbaasd over zijn onbezorgde optimisme. Het kan hem niks schelen. Als er geen werk is als advocaat dan doet hij wel wat anders, zo simpel is het. Ali gaat naar Azerbeidzjan. Wanneer een Azeri uit het hostel opmerkt dat er maar weinig normaal werk te vinden is in het land kijkt Ali wat verdwaasd op. Hij heeft  geen flauw benul heeft waar hij naar toe gaat, laat staan van de economische situatie ter plaatse. ‘Ach ja, als Bakoe niks wordt, probeer ik Turkije wel.’

Ik vraag me af hoe het Ali zal vergaan. Hij lijkt af te stevenen op nog meer mensen die misbruik gaan maken van zijn onwetendheid en zijn goede vertrouwen. Daar zit ik dan, met mijn laptop, naast mijn dure fiets en geavanceerde bagage. Naast Ali voel ik me bijna vernederend bevoorrecht omdat ik toevallig in Nederland ben geboren. Daar is werk en het loon vrijwel altijd voldoende voor een comfortabel bestaan, zeker in vergelijking met de rest van de wereld. Daarbij staat het ons vrij om te gaan en staan waar we willen op aarde en kunnen we er vaak ook nog aan het werk. Bovendien hebben we dankzij die welvaart de kennis in handen om te weten wat er speelt. Ik probeer me voor te stellen hoe het is om in Ali’s schoenen te staan en bedenk wat ik zou doen als ik in Egypte geboren was, geen werk kon vinden en naar een lukraak buitenland zou vertrekken. De moed die daarvoor nodig is, is bijna groter dan de weloverwogen en goed onderzochte keuze om de wereld rond te fietsen. Daarbij is het helaas zo dat je als Nederlander met veel meer enthousiasme onthaald zal worden dan een Egyptenaar. Durf eens te zeggen dat dat niet zo is.

Ik stuur Ali morgen een mailtje om te vragen hoe het met hem gaat, maar ik vraag me af of het ooit gelezen wordt.

Social links powered by Ecreative Internet Marketing