Facebook

'Fuck China!', joelt Rinchin boven de muziek uit. De boxen spuwen wilde Tibetaanse dance uit, we zwieren als gekken door de kamer en de nacht lijkt nog lang niet op zijn eind. Ik ben met twee Zwolse vrienden beland in een klein huisje aan het grootste meer van China en het is feest.

Vanuit de miljoenenstad Xining sprongen we op een bus naar het Qinghaimeer. We worden verwacht in de homestay van Tibetanen Rinching en Choden die ons bij aankomst direct een sjaal om de hals hangen en de muziek voluit zetten. Choden leidt ons naar het kleine gastenverblijf, waar we mogen slapen op een soort platform met dunne matrasjes en dikke dekens zoals ik dat eerder zag in Tadzjikistan. Maar het is nog geen bedtijd. Tijdens de Tibetaanse noedelsoep vraag ik honderduit over hun leven. Beide jongens zijn in de volgende vallei traditioneel opgegroeid in een joert tussen meer jaks dan mensen. Rinchin zegt dat leven wel te missen nu hij langs een weg tussen vier muren leeft, maar hier kan hij geld verdienen. 'Een Tibetaanse man is volwassen op zijn vijftiende en moet een keuze maken. Ik besloot om door te leren.' Had hij niet gestudeerd, dan was hij rond die leeftijd waarschijnlijk getrouwd en had hij, 27 jaar oud nu, met vrouw en kinderen in een joert gewoond en een eigen kudde gehad.

Rinchins studie toonde hem de wereld en het stadsleven en deed hem besluiten weliswaar dichtbij zijn Tibetaanse wortels te blijven, maar wel in contact met het China van de 21e eeuw. Maar rondkomen van een homestay is niet makkelijk, vertelt hij. Met temperaturen tot wel twintig graden onder nul in de winter, zonder verwarming, is het echt seizoenswerk en de concurrentie is stevig. Daarom zitten de jongens veel buiten voor hun huisje te wachten en muziek te luisteren. Meestal samen met een paar buurtjongens of buurmannen die het ook niet zo druk hebben. Ondanks het sociale sfeertje vind ik het geheel een beetje zielig. Twee jongens die zijn opgegroeid in het eerlijke maar harde leven van de joert en omgeven door familie, die nu kiezen voor dit leven en eigenlijk niets anders te doen hebben dan rondhangen. Het lijkt een wat leeg bestaan in mijn ogen, tot ik me ineens realiseer dat dit misschien wel aan mij ligt. Het Westerse brein is gewend aan zoveel snelheid en prikkels dat nietsdoen bijna niet meer past in ons systeem. We kunnen het zelfs nog maar amper. Een paar uur lang stilzitten voor je huisje en voor je uitkijken, lijkt misschien voor ons wel tijdsverspilling en leeg, maar de Tibetanen zijn van jongs af aan gewend aan een leven met veel rust en stilte. Er wordt weliswaar hard gewerkt, maar vergeleken met de hectische Westerse wereld is het qua stimuli een kabbelend bestaan.

De inkomsten van de homestay komen voornamelijk van Chinese toeristen die met eigen vervoer, per bus en zeker ook per fiets een toer maken om het meer. Ik vraag Rinchin of het goed voelt om zoveel Chinezen over de vloer te hebben. 'Ze hebben veel kapot gemaakt, voor ons allemaal', legt hij uit, 'maar er zijn ook goede Chinezen. In de omgeving zijn veel heiligdommen ontheiligd, wij mogen niet naar Tibet en elke familie heeft wel een tragedie.' Rinchings broer werd in de bergen doodgeschoten toen hij wilde vluchten naar India, hopend op een beter leven in de Tibetaanse gemeenschap daar en dichterbij de Dalai Lama. 'Maar veel van deze toeristen weten dat geeneens, valt Choden hem bij. 'Ze lezen alleen de overheidskranten die vertellen dat we terroristen zijn. Ze kunnen het niet helpen, ook Chinezen zijn vaak bang.' Ik laat het onderwerp rusten. Het is een open wond, en hoewel de jongens er vrijuit over praten, merk ik dat het ze raakt.

We drinken thee en Choden komt uit de keuken uit met een plateau en een oude ketel. Op het plateau staan vier kleine glaasjes die hij volschenkt met een doorzichtig goedje. Het is tijd voor de zelfgestookte Tibetaanse alcohol. 'Niet zo sterk hoor, maar 50%', lacht Rinching . Ik merk voorzichtig op dat vier glaasjes voor ons vijven niet genoeg is, maar ik maak me onterecht zorgen. Alle vier de glaasjes komen mijn kant op. 'Je drinkt ze allemaal leeg en schuift dan het blad door; traditie van het huis.' Ik kijk even vol ongeloof op en weer naar het plateau en we barsten allemaal in lachen uit. Dit kon wel eens een bijzondere avond worden. Met moeite werk ik het rauwe vocht weg, wetend dat ik daarna mag genieten van de walgingsgrimassen van mijn Zwolse vrienden.

Een uur later staan we te dansen op elk belachelijk nummer dat bij ons op komt, afgewisseld met Tibetaanse muziek. De jongens zingen luidkeels mee en blijven intussen vlijtig bijschenken van het sterke goedje uit de ketel, die maar niet leeg lijkt te raken. Rinching knijpt er na een paar plateaus even tussenuit voor een snel dutje, maar komt al vlug weer terug, slaat met geweld het licht uit en daarmee het knopje stuk en we dansen door in het donker. De nuance van voorheen is weg bij de jongens en voor we het weten staan ze ‘fuck China’ roepend door de kamer te hossen. Het is een mooie avond die eindigt als we uitgeteld op de houten bankjes liggen. ‘Hebben jullie zin in een nachtbezoekje?’ vraagt Choden samenzweerderig. Volgens de jongens is het een traditie om ‘s nachts bij de joert van meisjes uit de buurt langs te gaan. ‘Je moet heel voorzichtig zijn, want als de vader je hoort, ben je er geweest.’ Ze leggen uit dat je naar de tent toe moet sluipen en fluisteren naar de meisjes. Als je geluk hebt, mag je naar binnen. Hoe avontuurlijk het ook klinkt, zelfs na een paar plateaus vol van dat gekke goedje zie ik mezelf al rond het meer rennen, achtervolgd door een woeste Tibetaanse vader. Misschien is het bedtijd.

Social links powered by Ecreative Internet Marketing