Conflict in de Kaukasus

De Kanttekening

Na een nieuwe uitbarsting van geweld in Nagorno-Karabach, een zoveelste fragiele wapenstilstand en wilde beschuldigingen over en weer, staat het kruitvat van de zuidelijke Kaukasus opnieuw op springen. De militaristische koers van Armenië en Azerbeidzjan zorgt ervoor dat beide landen zich steeds dieper ingraven in hun eigen versie van de werkelijkheid waardoor een vreedzame oplossing van het ruim honderd jaar oude conflict voorlopig ver buiten bereik ligt.

Na bijna dertig jaar vruchteloos onderhandelen zien de Armeense en Azerbeidzjaanse regering het diplomatieke pad steeds meer als een doodlopend spoor, waardoor beide landen de afgelopen jaren hun toon verhardden en een militaire koers als enige uitweg begonnen te zien. Op internationale conferenties en tijdens onderhandelingen onder leiding van de Minsk-groep blijven oude trauma’s opgerakeld worden door beide overheden rondom de Armeense genocide in 1914-1917, de deportatie van honderdduizenden Azerbeidzjanen uit Nagorno-Karabach en omliggende provincies en een flink aantal massamoorden en pogroms door beide kampen. De publieke opinie aan weerszijden van de grens wordt zodoende steeds vijandiger, waardoor weerwoord binnen de samenlevingen nauwelijks wordt getolereerd.

Het Nagorno-Karabachconflict is een strijd tussen twee internationale principes: het principe van territoriale integriteit dat wordt bepleit door Azerbeidzjan en het principe van zelfbeschikking waar de bevolking van Nagorno-Karabach zich op beroept, daarbij gesteund door Armenië. Ondanks dat geen enkel land de onafhankelijkheid van het gebied erkent en Azerbeidzjan feitelijk erkend wordt als officiële machthebber, trok de regering in de Azerbeidzjaanse hoofdstad Baku de conclusie dat het diplomatieke spoor nergens op uit ging lopen. Dit dwong hen tot de keuze om of het verlies van Nagorno-Karabach te incasseren, of om ervoor te vechten. Maar aangezien president Ilham Aliyev een groot deel van zijn repressieve en nationalistische beleid baseert op het streven om Nagorno-Karabach goedschiks danwel kwaadschiks onder zijn bewind te brengen, is een militaire oplossing steeds waarschijnlijker geworden. Ook aan Armeense zijde is een verharding in opstelling te zien sinds Nikol Pashinyan in 2018 aan de macht kwam. Een jaar na zijn aanstelling verwierp hij de zogenaamde Madrid Principles, een raamwerk van afspraken voor een vreedzame oplossing van het conflict dat sinds 2007 als basis voor onderhandelingen diende. Ook werd Pashinyan’s beleid steeds provocatiever door onder andere etnische Armeens vluchtelingen uit Syrië en Libanon land en woningen aan te bieden in Nagorno-Karabach en door voormalig Azerbeidzjaans land uit de geannexeerde bufferzone te bebouwen.

Syrische settlers

Tijdens de oorlog van 1988-1994 werd de hele Azerbeidzjaanse bevolking uit Nagorno-Karabach verjaagd of vermoord en zagen honderdduizenden bewoners van het grensgebied zich gedwongen het geweld te ontvluchten. Ook vrijwel de hele Armeense bevolking ontvluchtte Azerbeidzjan na enkele massamoorden en pogroms.

Een van de prioriteiten van de autoriteiten in Nagorno-Karabach is het herbevolken van voormalig Azerbeidzjaanse dorpen. Tot nu toe kregen vooral arme Armeniërs, maar ook dertig families etnisch Armeense vluchtelingen uit Syrië een woning, land, goedkope leningen en een klein geldbedrag aangeboden om zich te settelen in het dunbevolkte berggebied. In een interview met nieuwsorganisatie Eurasianet zegt de Syrisch-Armeense Andranik (39) dat hij geen slecht leven had in Syrië, maar dat hij wilde dat zijn kinderen zouden opgroeien in hun historisch vaderland. ‘Dit is ons echte thuis en we zullen het behouden, koste wat kost. Dit voelt meer als onze oorlog dan die in Syrië.’

Keurslijf van haat

Voor de overgrote meerderheid van mensen aan beide kanten van de grens blijft hun buurland een abstracte vijand, waarmee normaal contact onmogelijk en levensgevaarlijk is. ‘Het probleem is dat onze overheid zich vooral heeft gefocust op een diplomatieke top-down oplossing en weinig initiatieven aan het volk gaf, vertelt de Azerbeidzjaanse politicoloog en vredesactivist Jeyhun. De Armeense regering doet het niet veel beter, maar omdat zij een iets minder autocratisch systeem en meer vrijheid van meningsuiting hebben, is het daar iets makkelijker voor activisten om zich uit te spreken.’ Volgens hem zijn er in beide landen jongeren die op zoek zijn naar andere vormen van dialoog, maar zijn de kansen zo gering om elkaar te ontmoeten dat ze maar zelden de mogelijkheid krijgen zich echt te bevrijden uit het keurslijf van haat.

De Armeense journaliste Arpi bevestigt dit beeld: ‘mensen willen deel uitmaken van de samenleving en betrokken zijn bij de pijn en het geluk van de meerderheid, zelfs als ze hier diep van binnen niet in geloven. Als ze dan een ander geluid laten horen worden ze uitgemaakt voor verraders, waardoor er zeker nu nauwelijks weerwoord is op de barrage van haat en de absurditeit van de oorlog.’

Jeyhun vertelt hoe hij de afgelopen weken vredesactivisten aan beide kanten van de grens ineens oorlogszuchtige en haatzaaiende taal zag verspreiden op Facebook. ‘Mensen zeggen me dat ik niet over vrede moet praten in oorlogstijd, maar volgens hen is het al dertig jaar oorlog. Ze denken dat als je het over vrede hebt, je het opgeeft en wil dat je dierbaren worden vermoord.’

Ander perspectief

‘Toen ik ging studeren in Georgië waarschuwde mijn vader me dat ik uit moest kijken voor Armeniërs’, vertelt Aziz (24). ‘Mijn broertje vroeg me zelfs verbaasd: “ga je daar echte Armeniërs ontmoeten?”, alsof het een soort bloeddorstige aliens zijn die het op je leven voorzien hebben. Maar’, lacht Aziz, ’binnen een week was ik bevriend geraakt met mijn nieuwe Armeense klasgenoten.’

Toch blijft het volgens zijn Armeense medestudent Tigrana (23) moeilijk elkaar te vertrouwen. ‘Ik ben opgegroeid in Amerika en heb de hele wereld over gereisd, maar nog steeds trekt mijn maag soms samen als ik een Azerbeidzjaan zie. Kun je nagaan hoe dat is voor Armeniërs die nooit hun neus buiten eigen gemeenschap steken?’

‘Van jongs af aan leerde ik al om Armeens te zijn’, vertelt Arpi’: een goede patriot, bang voor Turken en met haat jegens Azerbeidzjanen. Dat waren de regels, dat was deel van mijn identiteit. En ik nam die rol aan zonder vragen te stellen, net als mijn vrienden aan de andere kant van de grens. Die diepgewortelde haat, dat wantrouwen en de pijn van mijn voorouders zit me in het bloed. We komen allemaal uit een oorlogsgeneratie die is opgegroeid met verhalen die we van onze ouders hoorden over wanhoop, verlies en de leegte van talloze ontheemde gezinnen. De verhalen blijven me achtervolgen en het is niet makkelijk ze af te schudden. Natuurlijk willen we vrede, maar we willen het alleen volgens onze eigen vastgeroeste voorwaarden. Het is altijd makkelijker om in conflict te zijn dan het op te lossen. We willen allemaal aandacht voor de pijn die wij geleden hebben, niet voor de pijn van een ander. Het is veel makkelijker in je eigen gevoelens te verzwelgen om oorlog te verantwoorden. Toch hebben mijn Azerbeidzjaanse vrienden, die ik in het buitenland ontmoette, me laten zien dat er ook een andere kant is.‘

‘Mijn Azerbeidzjaanse klasgenoten en ik hebben met vallen en opstaan van elkaar geleerd dat de enige uitweg is om het conflict te bekijken vanuit een ander perspectief’, zegt Tigrana. ‘Helaas hebben beide kampen zich de afgelopen dertig jaar alsmaar dieper ingegraven in hun eigen verstoorde versie van de werkelijkheid, die met de tijd steeds grimmiger wordt. Decennialang hebben we toegekeken hoe beide partijen dit conflict gebruikten voor politiek gewin.’

‘Mijn regering is zo corrupt’, zegt Aziz. ‘Soms lachen we erom en doen mijn Armeense vrienden en ik een wedstrijdje wiens regering corrupter is, maar echt grappig is het niet. Bijna dertig jaar na de oorlog zitten er nog altijd duizenden Azerbeidzjaanse oorlogsvluchtelingen in waardeloze, tijdelijke onderkomens. De overheid weigert hun situatie daadwerkelijk te verbeteren, want dan kunnen ze niet meer gebruikt worden als onderhandelingsmateriaal om te laten zien hoeveel leed de Armeniërs hebben veroorzaakt. Deze leiders gebruiken Nagorno-Karabach om te verantwoorden waarom we nog altijd in een halve dictatuur leven, onze gevangenissen uitpuilen en er de meest barbaarse mensenrechtenschendingen plaatsvinden in ons land. Sterker nog, als je ook maar iets in durft in te brengen tegen Aliyev en zijn kliek word je zonder pardon gelabeld als landverrader.’

‘Na een periode in het buitenland wilde ik mijn nieuwe inzichten delen met familie en vrienden’, vertelt Arpi, ‘maar toen ik merkte dat dit totaal zinloos was, begon ik me steeds verder geïsoleerd te voelen van de wereld waar ik vandaan kwam. Ik weet zeker dat ik met sommige vrienden nooit meer een normaal gesprek kan voeren en ik kan niet eens meer naar mijn favoriete muziek luisteren, omdat ik erachter kwam hoeveel haat en nationalisme erin verborgen zit.’

Dienstplicht

Zowel Azerbeidzjan als Armenië kent een dienstplicht vanaf 18 jaar voor mannen, al krijgen kinderen aan beide kanten al eerder militaire en patriottische training op school. Toch worden volgens Stichting Child Soldiers International er in beide landen 17-jarigen opgeroepen als militair cadet en zijn er enkele gevallen bekend waar kinderen tussen de 11 en 15 jaar in Nagorno-Karabach wapentraining kregen.

‘Vind je het gek dat wapenstilstand geen oplossing is?’, zegt Tigrana. ‘We doen dit keer op keer, maar er zijn inmiddels generaties voorbij gegaan voor wie het perspectief niet veranderd is. We zouden een pijnlijk gesprek met onszelf moeten aangaan. Ik geloof niet dat het gaat werken om duizend mensen in een conferentiezaal te proppen om te praten. De oplossing moet komen vanuit de gewone mensen, niet door mannen in vergaderzalen of mannen met Kalasjnikovs en drones.’

Diplomatie

Het conflict in de Kaukasus lijkt de afgelopen jaren een lage prioriteit te hebben gehad in het Westen. De regio is al jaren een geopolitiek kruitvat waar oost en west, autocratie en democratie, islam en christendom en enkele zeer nationalistische volkeren direct naast elkaar wonen. Westerse landen zijn daarom mogelijk terughoudend om zich te mengen in een ingewikkeld en omstreden conflict in een politiek instabiele regio waarin samenwerking met Iran, Rusland en Turkije noodzakelijk is. Toch kan de-escalatie van het conflict volgens Jeyhun alleen in gang worden gezet worden door geloofwaardige bemiddelingsinspanningen vanuit de westerse wereld. ‘Maar dan niet alleen om een fragiele status quo te handhaven, maar om dit conflict voor eens en voor altijd op te lossen.’

‘Mijn hoop is dat we door constructieve dialoog tussen changemakers, activisten en maatschappelijke organisaties kunnen werken aan wederzijds vertrouwen. Vooral in dit kritieke moment moeten mensen de verbinding niet verliezen. Althans, zij die er nog in geloven.’