Smokkelaars op oorlogspad

De jihad in Zuid-Thailand

De Kanttekening

Sinds januari 2004 kwamen er bijna 7000 mensen om het leven door aanslagen in het zuiden van Thailand. Deze aanslagen worden gepleegd door islamitische groeperingen die onafhankelijkheid zoeken van het boeddhistische Thailand. Ondanks dat het geweld de afgelopen jaren is afgenomen, heeft de regering nog altijd geen controle over de situatie en vielen er dit jaar al enkele tientallen doden door schietpartijen en bomaanslagen. Dit klinkt als het welbekende scenario van terreur in naam van religie, maar wat als blijkt dat smokkel, corruptie en machtspolitiek grotere drijfveren zijn dan godsdienst?

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De drie meest zuidelijke provincies van Thailand; Yala, Pattani en Narathiwat, grenzen aan Maleisië en zijn etnisch en cultureel sterk verbonden met hun buurland. Tachtig procent van de bevolking spreekt een Maleis dialect en in tegenstelling tot de rest van boeddhistisch Thailand wordt hier de islam beoefend. Deze regio, het voormalig Maleise Sultanaat Pattani, werd in 1785 door Thailand veroverd. Met name vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw kwam de centrale overheid met een serie hardhandige maatregelen om assimilatie af te dwingen, hetgeen vooral zorgde voor etnische spanningen, gebrek aan samenwerking met de lokale bevolking en, door falend gezag, een situatie van wetteloosheid.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Hoewel er al meer dan zestig jaar onvrede heerst onder de islamitische bevolking over het gezag uit Bangkok, escaleerde het geweld pas in 2004 toen de Thaise overheid onder voormalig premier Thaksin besloot om lokale overheidsinstellingen in het roerige zuiden te ontmantelen. Hij verving deze met een corrupte politiemacht en zorgde voor sterke militaire aanwezigheid, wat leidde tot een klimaat van wantrouwen, machtsmisbruik en buitensporig geweld van Thaise agenten tegen de plaatselijke bevolking. Ook werd het oude systeem van raadgeving bij de lokale gemeenschapsleiders afgeschaft, wat ervoor zorgde dat burgers in de drie provincies zich steeds meer onder het juk voelden van vreemde machthebbers. Toen separatistische groeperingen bomaanslagen begonnen te plegen op overheidsinstellingen, militairen, leraren, boeddhistische monniken en in de openbare ruimte, was er voor de Thaise overheid, van oudsher gedomineerd door militairen, geen weg terug om te ontsnappen aan de cyclus van geweld.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Na het uitbreken van het geweld in het voormalig sultanaat bleven beide partijen bijdragen aan een escalatie hiervan. De overheid reageert met zware represailles op aanslagen, probeert seculier Thais onderwijs af te dwingen en wantrouwt de lokale bevolking. De separatistische groeperingen profiteren van het overheidsgeweld door nieuwe rekruten aan te trekken onder jongeren, die vaak laaggeschoold zijn. Ook kampt het gebied met grootschalige georganiseerde misdaad, smokkel en corruptie waar zowel ambtenaren als separatisten bij betrokken zijn. Het doorbreken van de geweldsspiraal zou daarom de belangen van lokale bestuurders en de ondergrondse economie in de regio schaden, waardoor veel partijen gebaat zijn bij een voortzetting van de relatieve wetteloosheid.

Toch is de veiligheidssituatie in het zuiden verbeterd en is het aantal aanslagen sterk gedaald sinds 2015. Desondanks vielen er de afgelopen drie jaar nog ruim 160 doden door schietpartijen, afrekeningen en bomaanslagen en staan er nog altijd checkpoints met zwaarbewapende militairen en pantservoertuigen verspreid door het gebied. Tot op heden hebben besprekingen tussen de overheid en het cluster aan separatistische groeperingen nog weinig opgeleverd. De opstandelingen zeggen dat de overheid de dialoog alleen gebruikt om hun leiders te identificeren en op te sporen en enkele groeperingen weigeren ronduit om aan te schuiven zonder tussenkomst van internationale bemiddelaars, iets wat de Thaise regering van begin af aan geweigerd heeft. Hierdoor blijft het onzeker of en wanneer het geweld weer op zal laaien.

Een constructieve aanpak door de Thaise overheid wordt belemmerd door een gebrek aan begrip van de lokale cultuur, een gebrek aan ervaring in conflicthantering en door rivaliteit tussen de regionale politie en het leger. Volgens plaatselijke bronnen zijn veel agenten in de zuidelijke provincies betrokken bij drugshandel en andere criminele activiteiten. Door deze reputatie wordt de politie geminacht door het leger en stagneert de samenwerking tussen beide partijen. Het leger reageert vaak hard op aanslagen door met zwaarbewapende militairen hele dorpen uit te kammen en er zijn honderden gevallen bekend waarin verdachten en hun families gemarteld en seksueel mishandeld werden om verklaringen af te leggen. Uit onderzoek blijkt dat deze mensenrechtenschendingen systematisch plaatsvinden, waardoor het vertrouwen in de Thaise staat voortdurend wordt geschaad en de dorpelingen in de armen worden gedreven van de opstandelingen. Om deze reden provoceren de rebellen het leger en de onervaren Thaise overheid tot gewelddadige acties om sympathie te genereren bij hun eigen bevolking. Want, redeneren veel dorpelingen in dit geval, als beide kampen geweld plegen, is het beter om je aan te sluiten bij je eigen mensen.

Volgens de Thaise overheid wordt de opstand gefinancierd door criminelen en ook externe waarnemers vermoeden dat lokale onderwereld een grote rol speelt in het geweld. Een van de oorzaken is de wetteloosheid die jarenlang heerste in het bergachtige grensgebied. Olie, drugs, wapens, bedreigde diersoorten en zelfs mensen worden in grote aantallen van en naar Maleisië gesmokkeld. Volgens de Thaise publieke omroep is vooral oliesmokkel een miljoenenbusiness die gerund wordt door een illegaal kartel van invloedrijke personen. Zo liet de arrestatie van het voormalig hoofd van de Thaise inlichtingendienst Pongpat Chayapan in 2014, op beschuldiging van corruptie en hulp bij oliesmokkel, zien dat er een link bestaat tussen hoge Thaise autoriteiten en de smokkelaars. Ook zijn er aanslagen gepleegd die specifiek gericht waren op agenten die onderzoek deden naar de oliesmokkel, hetgeen doet vermoeden dat er machtige personen bij betrokken zijn.

Volgens een analyse van Reuters-journalist Jason Szep wordt algemeen aangenomen dat de oliesmokkel gerelateerd is aan het geweld en dat de separatisten grotendeels gefinancierd worden door inkomsten uit illegale handel. Szep schrijft dat veel westerse diplomaten zelfs vermoeden dat het grootste deel van de aanslagen direct gerelateerd is aan aan de drugshandel, andere smokkel en georganiseerde misdaad en minder dan de helft aan de onafhankelijkheidsstrijd. Politicoloog Aurel Croissant van de Universiteit van Heidelberg stelt dat het naief zou zijn om aan te nemen dat smokkelaars en separatisten duidelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden. Volgens hem zijn criminaliteit en terrorisme daarvoor teveel met elkaar verweven.

Naast de samenhang tussen terrorisme en smokkel, kampt Thailand al jarenlang met ongebreidelde corruptie in alle lagen van de overheid. Een gevaarlijk samenspel van drugshandel, prostitutie, vriendjespolitiek, samenzweringen, traditionele boeddhistische tolerantie, een tendens om problemen te negeren en een cultuur van onschendbaarheid van hooggeplaatste officieren heeft geleid tot een complexe misdaadgolf die het land overspoeld. Wapenbezit in het zuiden wordt geschat op 1 per 5 inwoners, waarmee het behoort tot de meest bewapende gebieden ter wereld. Ook is de corruptie in de drie roerige provincies volgens de Wereldbank zelfs zo groot dat functionarissen vanuit het hele land solliciteren op functies in de instabiele regio, want, zoals de krant Asian Times schrijft: ‘oorlog is winst in Zuid-Thailand.’

Sinds de Rohingyacrisis in buurland Myanmar is ook mensenhandel een grote bron van inkomsten geworden voor de smokkelkartels. Wanhopige vluchtelingen worden in handen gedreven van smokkelaars en komen vaak terecht in illegale kampen in de bergen van Zuid-Thailand. Volgens een overlevende zitten er soms duizenden mensen in dit soort kampen in de hoop doorgestuurd te worden naar buurland Maleisië of om aan het werk te kunnen in Thailand. Voor veel van hen gebeurt geen van beiden en worden ze onder erbarmelijke omstandigheden vastgezet in de afgelegen kampen. De vluchtelingen worden gemarteld en gedwongen hun familie te bellen om ze vrij te kopen. Wanneer dit niet mogelijk is, worden veel van hen uitgehongerd, verkocht als slaaf of vermoord en gedumpt in een van de vele massagraven in de jungle. Volgens Phil Robertson van Human Rights Watch is het onmogelijk dat de Thaise autoriteiten niet op de hoogte zijn van deze praktijken. ‘We hebben getuigenverklaringen van Thaise ambtenaren die onderhandelen met smokkelaars terwijl honderden vluchtelingen gevangen worden gehouden en er zijn zelfs bewijzen van overheidsfunctionarissen die de asielzoekers zogenaamd redden, maar ze vervolgens weer doorverkopen aan de mensenhandelaren.‘

De Thaise Generaal Udomchai Thammasarojrat stelde in 2011 dat het geweld vooral oplaaide toen het leger begon met het bestrijden van de oliesmokkel. ‘De smokkelkartels reageerden met aanslagen, gepleegd in naam van de onafhankelijkheidsstrijd, uitgevoerd door jonge, laagopgeleide jongeren, waarvan een groot deel drugsverslaafd is’, verklaart de generaal. Volgens de overheid zijn het dezelfde jongeren die worden ingezet voor het plegen van liquidaties in de onderwereld en in de grootschalige handel in drugs, waarbij grote hoeveelheden heroïne, pillen en cocaïne naar buurland Maleisië worden gesmokkeld, maar die ook terecht komen in het gebied zelf. In een onderzoek uit 2010 gaven bewoners van de zuidelijke provincies dan ook aan dat drugshandel het meest urgente probleem in de regio is.

Ondanks het streven van het leger en de overheid om de veelheid aan criminele activiteiten in het zuiden de kop in te drukken, zouden zij volgens veiligheidsexpert Thitinan Pongsudhirak zelf verantwoordelijk zijn voor het verhinderen van een doorbraak. ‘Ondanks dat hun pogingen oprecht en serieus zijn, heeft een militaire overheid met absolute macht en een top-downbeleid ironisch genoeg niet de kracht om dit soort problemen op te lossen. Dit komt zowel door een gebrek aan medewerking als door corruptie in alle betrokken lagen van bestuur en uitvoering. Het uitbannen van mensenhandel en andere criminaliteit kan simpelweg niet van bovenaf gecommandeerd worden, daarvoor heb je vooral actieve betrokkenheid in het veld nodig en die is er nauwelijks.’

Ook onderzoekers Desmond Ball en Nicholas Farrelly van de Nationale Universiteit van Australie vermoeden dat pogingen om het conflict te beïndigen vaak hun doel missen. Volgens hen houdt de overheid met militaire maatregelen de cultuur van represailles in stand door de bijna onschendbare positie van soldaten die gestationneerd zijn in het zuiden. Door machtspolitiek, wantrouwen naar de bevolking en concurrentie met de lokale politie heerst er een cultuur van trots binnen het leger, waardoor er een klimaat is ontstaan waarin aanslagen worden gezien als een aanval op hun persoonlijke eer en reputatie en er dus hard teruggeslagen moet worden. ‘En wat als de lokale jeugd verstrikt raakt in deze vergeldingsdynamiek?’, schrijft Farrelly in zijn onderzoek naar de veiligheidssituatie in Zuid-Thailand, ‘Waar is voor hen de uitweg? Kunnen zij de spiraal van geweld zomaar doorbreken ondanks dat zoveel van hun vrienden en familieleden zijn omgekomen?’ Vaak zijn de jongeren laagopgeleid, economische mogelijkheden zijn beperkt in het agrarische bosgebied en veel van hen zien smokkel en andere criminele activiteiten als enige optie.’ Volgens de onderzoekers hebben deze omstandgheden geleid tot het geloof onder veel zuiderlingen dat het geweld niet zal stoppen vanwege de economische kansen die de wetteloosheid in het conflictgebied biedt.

Dit zijn duidelijke aanwijzingen dat verschillende betrokken partijen niet gebaat zijn bij het doorbreken van het geweld. Er is geen eind in zicht zolang de Thaise autoriteiten blijven investeren in hardhandig contraterrorisme terwijl tegelijkertijd lokale onvrede wordt aangewakkerd door criminaliteit en wanpraktijken van ambtenaren en soldaten in het veld.

Hoewel volgens kenners de werkelijke opstandelingen slechts verantwoordelijk zijn voor een fractie van het geweld, bepalen zij wel de retoriek en de morele rechtvaardiging ervan. Na de aanslagen van 11 september 2001 vonden de militante groeperingen aanleiding tot het uitroepen van een heilige oorlog en sindsdien worden ook steeds vaker IS-achtige filmpjes geplaatst van onthoofdingen en met jihadistisch taalgebruik. Ondanks deze ogenschijnlijke overeenkomst met islamitische opstanden zoals die in Irak, de Filipijnen en Syrië, krijgen groepen als Al Qaida en IS hier geen voet aan de grond. Het Nationaal Revolutionair Front, de grootste rebellengroep in Zuid-Thailand, heeft duidelijk gemaakt dat IS hier niet welkom is, ookal hebben zij vergelijkbare extremistische denkbeelden. De groep is bang om door samenwerking met buitenlandse jihadistische organisaties hun legitimiteit en steun te verliezen, zowel binnen de internationale gemeenschap als onder hun eigen aanhangers.

Ondanks dat de verschillende groeperingen van elkaar verschillen in aanpak en doelstellingen zijn ze allemaal in bepaalde mate op zoek naar meer autonomie. Sommigen willen op politieke wijze meer zelfbestuur van de Thaise overheid terwijl anderen doelen op complete onafhankelijkheid en de heroprichting van het oude sultanaat. Tot op heden zijn de groeperingen vooral succesvol geweest in het ondermijnen van de staat door het gebied relatief onbestuurbaar te maken met aanslagen op boeddhisten en Thaise overheidsdoelen. Toch leidt de islamitische burgerbevolking zelf het meest onder het geweld, omdat er ook veel aanslagen worden gepleegd op markten en winkelcentra. Maar liefst 90 procent van alle slachtoffers viel onder de burgerbevolking en het grootste deel hiervan is moslim.

Ondanks dat het aantal aanslagen de afgelopen jaren verminderd is, zijn de separatisten nog altijd actief. Met name in arme, geisoleerde dorpen blijkt de steun aan lokale groeperingen en de aanverwante smokkelarij moeilijk uit te roeien. Dit heeft voor een groot deel te maken met armoede en slechte educatie in het gebied. Bewoners van de grensprovincies verdienen ruim de helft minder dan in andere delen van Thailand, bijna 70 procent van de moslimbevolking heeft niet meer dan een basisschooldiploma en minder dan 10 procent heeft de middelbare school afgemaakt. Dit komt vooral omdat er door het geweld scholen gesloten zijn en veel lokale leraren het doelwit werden van aanslagen vanwege hun samenwerking met de Thaise overheid.

Maatschappelijke deelname is logischerwijs beperkt voor de inwoners van Pattani, Yala en Narathiwat. Niet alleen uit angst voor separatisten, maar ook omdat ze een achterstand hebben in taal en zich niet thuisvoelen in de Thaise boeddhistische cultuur. Vooral sinds de opleving van het geweld in 2004 zijn aanhangers van de twee religies sterk uit elkaar gegroeid. Zo vertelt de boeddhistische apotheker Athorn (45) dat zijn gezin in het verleden bevriend was met moslimfamilies. ‘Tot eind jaren negentig was het heel normaal dat we deelnamen aan elkaars vieringen, maar helaas sloeg de vriendschap om in angst, wantrouwen en isolatie na 2004. Het lijkt er nu op dat de moslims ons willen verjagen zodat zij hier de baas kunnen worden.’ Inmiddels is een deel van de boeddhisten het gebied ontvlucht of woont in door het leger beschermde enclaves.

Toch is er verandering gaande binnen de drie provincies. Druk op de overheid en de separatisten om verandering van tactiek en het stoppen van het geweld begint toe te nemen doordat de bevolking zich door moderne informatievoorzieningen beter bewust is van het grotere plaatje. Zij zien in dat het pad van geweld voor beide kampen op niets uitloopt en dat de onderliggende problemen in het gebied niet worden aangepakt. Veel van hen beseffen dat totale onafhankelijkheid van het voormalig sultanaat realistisch gezien nooit gaat gebeuren, maar zien mogelijkheden in een constructieve dialoog over een vorm van decentralisatie met meer zelfbestuur en verhoogde religieuze en educatieve vrijheid.

Op verschillende plekken in de regio zijn sociale werkgroepen ontstaan die hun best doen deze dialoog zelf te voeren. Waar de separatisten tot op heden een monopolie hadden op de richting waar het conflict heen ging, eisen burgers meer zeggenschap en sturen zij erop aan om in gesprek te gaan met de overheid, desnoods buiten de rebellen om. Ook lijkt er vanuit de burgerbevolking meer momentum te ontstaan om onderling het debat aan te gaan over hun identiteit en de problemen in de regio. Dit zou erop kunnen duiden dat het conflict een nieuwe fase in gaat met mogelijkheden om te ontsnappen uit de cyclus van geweld die de Zuid-Thaise maatschappij al jarenlang in een wurggreep houdt.