Verdwaald in de Algarve

Verslag voor National Geographic

National Geographic Traveler

Misleid door verkeerde bordjes en mijn eigen koppigheid dwaal ik door een vallei tussen Odelouca en Monchique. Tussen de hoge groene heuvels bedekt met een tapijt van zonneroosjes heb ik maar één keuze: naar beneden. Behalve pick-ups vol sinaasappels die af en toe passeren is hier niemand. Ik word dan ook vreemd aangekeken wanneer ik hier op het heetst van de dag tussen enkele boerderijen door banjer. De pater familias wandelt net voor zijn twee spelende kleinkinderen uit de weg op en lacht me joviaal toe. Ik knik vriendelijk terug en volg zijn blik de lucht in, die blijft hangen bij een bungelend paar schoenen aan een elektriciteitskabel. We kijken elkaar weer aan, nog eens naar de schoenen en barsten beiden in lachen uit. Ik ben verdwaald in de Algarve en dat loont!

A fisherman hoists two red snapper fish from his boat at the port of Sagres in the Algarve region of Portugal.

Beergardens, golfresorts en all-in vakantiedorpen. De Algarve geniet de dubieuze reputatie van één van Europa’s meest toeristische bestemmingen. Jaarlijks overspoelen zo’n tien miljoen Britten, Duitsers, Nederlanders en Scandinaviërs deze smalle, meest zuidelijke kuststrook van Portugal om aan het strand te liggen, te golfen of te brassen in één van de voetbalpubs die dit gebied rijk is. Vastbesloten dit te vermijden, verruil ik de chaos van slordige bouwwoede aan de zuidkust voor een Algarve dat de meesten nooit te zien krijgen.

Vanaf het middenin een natuurgebied geplempte Aeroporto de Faro neemt mijn chauffeur me mee langs rommelige bedrijventerreinen en vakantieparken naar de plaats waar mijn vliegtuig zojuist de rust verstoorde: de Ria Formosa Lagune. Een kustreservaat bestaand uit kleine eilanden en uitgebreide wetlands waar jaarlijks tientallen migratievogels overwinteren en komen broeden. Aan het eind van een warme middag stap ik op de fiets om deze wetlands te verkennen. Via goed begaanbare paden passeer ik zoutpannen en meren waar rond deze tijd kolonies zeldzame purperkoeten, lepelaars en flamingo’s verblijven. Deze laatsten staan hoog op mijn lijstje, dus als doelgerichte safariganger ga ik op zoek. Terwijl de zon langzaam wegschuift achter de bomen tuur ik rechts van me naar twee lichte, grote vogels in de verte. “Zouden ze dat zijn?” Even kijk ik links van me en plotseling sta ik oog in oog met een groep flamingo’s op nog geen vijftien meter afstand. Ik rem voluit, waardoor de vogels zich gauw twee vleugelslagen verplaatsen, maar ik heb ze gespot!

Octopus, tomato and potatoes at a restaurant in Pedralava in the Algarve region of Portugal.

Deze overwinning vier ik in het stadje Lagos bij Restaurante Dom Sebastião, mijn laatste stop voor ik de zuidkust de rug toekeer. De reputatie van de wijnkelder van patron António Gomes is hem al vooruit gesneld; het is een rariteitenkabinet met enorm oude port, collectorsitems zoals een speciale Grand Marnier voor Lady Di en kwaliteitswijn uit alle Portugese regio’s. Volgens António is wijn uit de Algarve een aanstormende hit in Portugal, “vooral de rosé van Quinta de Barranco Longo is muito bom”. Wanneer mijn ogen aan het donker gewend zijn, trekt hij nonchalant aan de zijkant van een ordinair buffetkastje, dat een groot aantal verborgen flessen onthult, en knipoogt: “voor als de vrouw er niet is”. Ik zou me nog uren kunnen onderdompelen in deze vloeibare geschiedenis, maar er moet gegeten worden. Chef Paulo is uiterst selectief in de keuze van zijn ingrediënten en werkt alleen samen met lokale vissers en boeren om zeker te zijn van de beste kwaliteit. Dat proef je dan ook terug in de gerechten die de hij op tafel zet. Conserva de cenoura, gemarineerde wortel met royaal knoflook en koriander is mijn topper en typeert samen met vele visgerechten de eenvoud van deze keuken. Portugezen zijn geweldige viseters, en lokale vissers voorzien de betere restaurants van soorten als tandbaars, kousebandvis en vele voor mij onbekende schelpdieren die mijn culinaire vocabulaire flink op de proef stellen.

Fishermen fishing on the cliffs of Bordeira in the Algarve region of Portugal.

Het binnenland

Dusty and rare wine bottles in the unique wine cellar of the Dom Sebastio restaurant in Lagos, Algarve, Portugal.

De volgende morgen verlaat ik de zuidkust, trek de heuvels in en volg het advies op dat António me meegaf voor vertrek: “als je de echte Algarve wilt ervaren, go slow”. Nog geen uur later stap ik de auto uit en voel ik dat het tempo drie versnellingen wordt teruggeschakeld. Dit langzame levenstempo wordt gesymboliseerd door de traag groeiende kurkeik, hofleverancier van de beroemdste wijn,- port,- en champagnehuizen ter wereld. Te voet begin ik mijn verkenning.

Fishermen fishing on the cliffs of Bordeira in the Algarve region of Portugal.

Ik laat de bungelende schoenen achter me en loop verder tussen sinaasappelbomen met hun vruchten die langs de weg worden verkocht. Vers van de boom zijn ze het lekkerst, bijzonder zoet en sappig. De Portugezen bouwen op een lange traditie van sinaasappelteelt en waren in de 15e eeuw de eersten die de vrucht meenamen uit China. Het binnenland van de Algarve is zo’n gebied waar je wilt verdwalen. Juist door niet te weten waar ik heenga ontdek ik deze vallei met slechts een paar hoeves en enkele verlaten huisjes. Ik open de krakende deur van zo’n verlaten huis en laat me meeslepen door een gevoel van saudade, de diepgewortelde Portugese melancholie om iets dat niet meer is. Het doet me stilstaan bij het harde, eenvoudige bestaan van families die hier leefden. Ik zie lange buitenmaaltijden voor me die de avond vulden met geuren, gelach en verhalen. Ik voel me dankbaar voor mijn dwaaltocht en zet mijn zinnen op Alte, dat doorgaat voor één van Portugals meest authentieke dorpen.

Framed by a cave, a man walks on the beach of Bordeira in the Algarve region of Portugal.

Alte

De weg naar Alte leidt me langs heuvels vol kurkbomen die met hun dieprode basten getuigen van actief gebruik van de kurkeik. Het is een genot hier tussendoor te lopen, even aan de felle zon te ontsnappen en de frisse boslucht in te ademen. Hier hoor je slechts boerderijgeluiden: dit is mijn meest intense beleving van het Portugese platteland. De weg slingert zich verder langs witte gehuchtjes die als krijtstrepen de uitlopers van de Serra do Caldeirão sieren. Tot deze afbuigt en ik de Ribeira de Alte oversteek naar het plaatsje dat zich met zijn rode daken aftekent tegen de felblauwe lucht.

Flamingos at sunset in the Ria Formosa Park near Faro, capital city in the Algarve region of Portugal.

Zittend aan de rand van de rivier drink ik grote glazen sap in de late ochtendzon. Ik bestel nog een bica, een sterke Portugese espresso, bij de patron en voel me klaar om het netwerk van omhoogkronkelende klinkerstraatjes te verkennen. Even later slenter ik Altes vrolijke kleurpalet binnen; de witte huisjes zitten strak in de verf en de gevels zijn diepblauw en okerrood. De smalle straten zijn levendig in de vroege middag. Achter bloempotten, beeldjes en in verlaten huizen loeren oogjes van tientallen katten die nu nog het rijk alleen hebben. Een oud vrouwtje dat langzaam de straat naar haar woning opklimt, kijkt me vragend aan. Maar haar des te vriendelijker ‘Bom dia’ zegt me dat ik meer dan welkom ben in haar prachtige dorp. Ze gaat haar woning binnen, kijkt nog één keer vriendelijk om en laat mij achter in volledige nieuwsgierigheid naar haar leven, haar huisje en wat er vanavond op het menu staat. In elk geval benijd ik haar om de straat waarin ze woont, die net als de omliggende caminhos volstaat met bloempotten die het stadje bedwelmen met hun zoete geur, af en toe aangelengd met die van vers brood of andere etensgeuren van achter de gesloten luiken.

Orange trees in the hills of the Algarve region of Portugal.

Onder de gevels van de strak gepleisterde huisjes kleven tientallen zwaluwnesten van waaruit beide ouders af en aan vliegen. Hun ijver verlevendigt het straatbeeld, maar slaat niet over op de rondbuikige ambulancechauffeur die loom heen en weer sjokt, noch op de oude stratenmaker in blauwe overall, die verderop bij de waterput zijn kruiwagen parkeert. Onder toeziend oog van de ambulancechauffeur en een oude vuilnisvrouw begint hij in alle rust een paar steentjes te leggen. Na elke steen veegt hij het vrijgekomen zand weg en is er tijd voor een praatje. Andere zestigers nemen intussen plaats op het bankje naast mij, terwijl de chauffeur met zijn dikke buik nog maar eens de straat oversteekt. Deze ouderen bepalen het straatbeeld en levenstempo van Alte en iedereen lijkt elkaar te kennen. Vanaf mijn bankje onder een hoge boom geniet ik van dit mediterrane dolce far niente, het zalige nietsdoen.

Na een verrassende middag is het tijd om Alte te verlaten voor de westkust, die in alle opzichten anders is dan zijn zuidelijke tegenhanger.

De westkust

Wanneer ik de volgende dag achterin het vrolijk pruttelende Volkswagenbusje van hoteleigenaar António zit, verkennen we met een ontspannen 30 kilometer per uur de Costa Vicentina; een natuurpark dat zich uitstrekt over 150 kilometer ongerepte westkust. António is een typische Portugees; goedlachs met een zweem van relaxedheid over zich, maar toch voortdurend druk aan de telefoon. Deze gedreven ondernemer stuitte tijdens zijn zoektocht naar een vakantiewoning op het verlaten dorpje Pedralva. “Ik moest met wel 200 erfgenamen onderhandelen”, zucht hij, “maar toen mocht ik wel het hele dorp restaureren”. Sinds deze restauratie ontvangt António zijn gasten in authentieke Portugese huisjes. De onverharde kustweg leidt ons langs springlevend heideland, verlaten zandstranden en indrukwekkende rotsformaties met daarop verscholen vissersbootjes op vlonders die sterk doen denken aan de piratennesten die deze verborgen baaien ooit als uitvalsbasis gebruikten. Op donkere rotsen liggen vissersnetten te drogen, en António zegt vrolijk: “op woensdag hebben de vissen vakantie, dan mag er in het natuurgebied niet gevist worden.” Ik spreek af met Nicolao, een lokale visser, en besluit voor zonsopgang terug te keren om de vissers aan het werk te zien.

Het is 4 uur ‘s ochtends. In het pikdonker stap ik achterin Nicolao’s naar vis ruikende bestelbusje en word over de hobbelige kustweg naar de klippen gereden waar de vissers moeten staan. Tijdens dit bonkige ritje voel ik de naweeën van António’s weldadige maaltijd van de vorige avond. Aangekomen zien we enkele auto’s staan, maar geen vissers. Om die te zien lopen we naar de uiterste rand van de klippen, waar niets te zien is dan een touw dat stijl de diepte ingaat. Nicolao kijkt me grijnzend aan als hij me vertelt dat er jaarlijks mensen omkomen op de klif, “maar dat overkomt alleen ‘curious people’”. Ik waag me aan de afdaling langs het donkere gesteente. Een tiental meters lager zie ik ineens de top van een hengel, die nog verder de diepte in wordt geslingerd door een oude visser, gekleed in een dik wollen vest en een pet op zijn grijze hoofd. Door het ruige karakter en de wilde golven is dit een inspirerende plek. Ik voel bewondering voor deze geharde mannen die op onmogelijke rotspunten hun werk doen en net als vele generaties voor hen dagelijks thuiskomen met verse vis.

Ik besluit de laatste zon van vandaag te bekijken op een bijzondere plek, de Cabo de São Vicente. Dit meest zuidwestelijke punt van Europa wordt Finisterre genoemd, het eind van de wereld. Ik sta hier met Carlos Saraiva, een grote Portugees die merkbaar trots is op dit stukje land. Carlos is een kind van de eerste generatie van Sagres die niet de visserij in ging, maar zijn inkomen haalt uit toerisme. Hij is opgegroeid op een plek met een verhaal, en hij vertelt trots over Hendrik de Zeevaarder die vanuit havens in de buurt vloten de wereldzeeën overstuurde richting het onbekende. Tegenwoordig hebben drie olieplatforms de twijfelachtige eer het laatste licht te mogen dragen aan de horizon. “Tijden zijn veranderd”, vertelt Carlos nuchter, “Mensen zijn gejaagder. Onze lange maaltijden maken plaats voor een snelle sandwich en geen jongere wil nog aan de slag als visser, kurkmaker of boer.” Toch blijven Portugezen levensgenieters, en zeker aan de westkust en in het binnenland van de Algarve proef je een zalige kalmte. Dit is een totaal andere wereld dan de volgebouwde zuidkust. Door de rust voelde de reis als mijn ontdekking en had ik echt een stukje Algarve voor mezelf.